Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht
Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.2.2.3:3.2.2.3 De fiscale boetebepaling art. 67d AWR
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.2.2.3
3.2.2.3 De fiscale boetebepaling art. 67d AWR
Documentgegevens:
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS572324:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze “systeemfout” was aan het begin van de twintigste eeuw in de parlementaire geschiedenis al bekend.
Art. 67 d lid 3 AWR vormt hier bijvoorbeeld een uitzondering op.
HR 25 oktober 2013, BNB 2013/252, ECLI:NL:HR:2013:971, r.o. 2.3.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van art. 67d AWR, de bepaling die de boete bij definitieve aanslag regelt, kan een boete worden opgelegd indien het aan opzet van de belastingplichtige is te wijten dat een aangifte niet, onjuist of onvolledig is gedaan.
De boete bij definitieve aanslag heeft uitsluitend betrekking op aanslagbelastingen. Deze boetebepaling is met ingang van 1998 in werking getreden. Voor die tijd kon een onjuiste aangifte niet tot een boete leiden als de inspecteur vóór het opleggen van de definitieve aanslag had ontdekt dat de aangifte onjuist was. In dat geval kan, omdat het juiste belastingbedrag alsnog door middel van de definitieve aanslag kan worden geheven, namelijk geen navorderingsaanslag volgen en zonder een navorderingsaanslag kon tot de invoering van art. 67d AWR ook geen boete worden opgelegd. Hierdoor hing de mogelijkheid om een boete op te leggen niet alleen af van de gedraging en geestesgesteldheid van de belastingplichtige, maar ook van het moment waarop de inspecteur had ontdekt dat de aangifte onjuist was.1
De boete bij definitieve aanslag kan in beginsel alleen samen met een definitieve aanslag worden opgelegd.2
De delictsomschrijving van art. 67d AWR stemt veel overeen met de hiervoor besproken in art. 69 lid 1 en 2 AWR opgenomen delictsomschrijvingen. Onder aangiften vallen, zoals in paragraaf 3.2.1 uiteengezet, zowel verplichte aangiften als onverplichte verzoeken om teruggaaf. Van het nalaten om een aangifte te doen kan, evenals in art. 69 lid 1 AWR, uitsluitend sprake zijn nadat de belastingplichtige is uitgenodigd om aangifte te doen.3
In de tekst van art. 69a AWR (oud), de una via-bepaling die van 1998 tot 1 juli 2009 in de AWR was opgenomen, was bepaald dat de mogelijkheid tot strafvervolging verviel, als de inspecteur reeds op grond van art. 67d AWR een boete had opgelegd. Art. 69a AWR (oud) is, zoals hiervoor al opgemerkt, met ingang van 1 juli 2009 vervangen door art. 243 lid 2 Sv. Hierin is geen verwijzing naar art. 67d AWR meer opgenomen. Dit neemt niet weg dat het doen van een onjuiste aangifte of het nalaten om een aangifte te doen nog steeds dezelfde feiten vormen als de hiervoor besproken feiten van art. 69 lid 1 en 2 AWR.
Het voorgaande brengt mee dat, als de belastingplichtige ervan wordt verdacht opzettelijk een onjuiste aangifte te hebben gedaan, een keuze moet worden gemaakt tussen het opleggen van een boete op grond van art. 67d AWR en een strafvervolging op grond van art. 69 lid 2 AWR. Het brengt ook mee dat die belastingplichtige, wanneer hij een onjuist, maar pleitbaar standpunt in zijn aangifte heeft opgenomen, bij de strafrechter slechter af lijkt te zijn dan bij de belastingrechter.
Op het nalaten om een aangifte te doen, beboetbaar gesteld in art. 67d AWR en strafbaar gesteld in art. 69 lid 1 AWR, wordt hierna in paragraaf 3.2.3 teruggekomen.