Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.11.3.1.2
III.11.3.1.2 Vormgeving intrekkingsbevoegdheid
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS378952:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Waarbij voor de volledigheid moet worden opgemerkt dat ook het al dan niet discretionaire karakter van de achterliggende (bijzondere) subsidieregeling van belang is. Zie ten aanzien van art. 4:49 Awb: ABRvS 10 oktober 2012, AB 2013/162 m.nt. Den Ouden. Vgl. in het kader van de artt. 4:50 en 4:51 AwbKamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 79 en 81.
Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 74. Beoogd is slechts aan te geven dat van onevenredigheid in de zin van art. 3:4 lid 2 Awb niet reeds sprake is indien een meer dan strikt rekenkundige verlaging plaatsvindt.
Dit is anders ingeval van een Europeesrechtelijke plicht tot terugvordering (vgl. paragraaf 11.2.4).
ABRvS 17 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL7740 en ABRvS 12 november 2008, AB 2009/237 m.nt. Den Ouden, in welke uitspraken de Afdeling verwijst naar ABRvS 30 augustus 2006,AB 2007/241 m.nt. Jacobs en Den Ouden.
ABRvS 12 november 2008, AB 2009/237 m.nt. Den Ouden. Den Ouden wijst er in haar noot, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, terecht deze overweging aansluit bij de systematiek van titel 4.2 Awb, waarin de gedachte tot uitdrukking komt dat door de materiële wetgever een bijzondere subsidieregeling kan worden vastgesteld die is toegesneden op het subsidiebeleid op een specifiek terrein. Het is dan de materiële wetgever die een afweging maakt.
Oftewel lex superior derogate legi inferiori. Vgl. CRvB 30 januari 2008, AB 2008/153 m.nt. Tollenaar en JB 2008/81 m.nt. Keinemans en CRvB 30 januari 2008, AB 2008/222 m.nt. Den Ouden en USZ 2008/99 m.nt. Van den Brink.
Vgl.Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 74, waar wordt opgemerkt dat met de opmerking dat bij toepassing van art. 4:46 lid 2 Awb ook art. 3:4 lid 2 Awb in acht genomen moet worden slechts is betoogd ‘dat van zodanige onevenredigheid niet reeds sprake is zodra de verlaging verder gaat dan hetgeen strikt rekenkundig overeenkomst met het niet verrichte deel van de activiteit’. Ten aanzien van art. 4:46 lid 2 onder b Awb wordt daarentegen opgemerkt dat een afweging moet worden gemaakt ‘voor zover de (materiële) wetgever dat niet reeds heeft gedaan’. Ten aanzien van art. 4:50 Awb wordt opgemerkt dat het een bevoegdheid tot intrekking betreft en geen verplichting, waarbij de belangenafweging centraal staat (Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 79). Zie ook Den Ouden in haar noot bij ABRvS 30 januari 2008, AB 2008/222.
Zo lijkt mij het lager vaststellen van een subsidie ten behoeve van het verrichten van scholingsactiviteiten met 25% omdat studieruimtes niet aan bepaalde vereisten voldoen niet in het belang van het doel waarmee de subsidie wordt verstrekt. Immers, het doel van de subsidie is dat op deugdelijke wijze scholing wordt gegeven. Hoewel daarvoor deugdelijke studieruimtes nodig zijn, lijkt het mij dat onder omstandigheden de subsidie ook met een lager percentage kan worden ingetrokken, bijvoorbeeld als blijkt dat goede studieresultaten zijn behaald.
De intrekkingsbepalingen van afdeling 4.2.6 Awb zijn allen discretionair van aard. Hetzelfde geldt voor de bevoegdheid om een subsidie lager vast te stellen (art. 4:46 lid 2 Awb) en de terugvorderingsbevoegdheid van art. 4:57 Awb. Bepaald is dat een subsidiebeschikking op de daar genoemde gronden kan worden ingetrokken, hetgeen duidt op beleidsvrijheid.1 Dat betekent dat de intrekking in overeenstemming moet zijn met art. 3:4 lid 2 Awb.2, 3 Nu komt het voor dat in een lagere subsidieregeling de bevoegdheid om een subsidiebeschikking (verlening of vaststelling) in te trekken, als gebonden bevoegdheid is weergegeven. De vraag is of dit niet in strijd komt met het discretionaire karakter van genoemde bepalingen in de Awb. De rechtspraak op dit punt is verdeeld.
De Afdeling is van oordeel dat in een lagere subsidieregeling de discretionaire bevoegdheid om een subsidie vast te stellen (art. 4:46 lid 2 Awb) kan worden begrensd. In de desbetreffende regeling wordt dan in algemene zin een belangenafweging verricht.4 Wel is daarbij naar het oordeel van de Afdeling vereist dat die begrenzing plaatsvindt op gronden die verband houden met de aard en het doel van de daarin voorziene subsidies.5 De Centrale Raad van Beroep oordeelt tegenovergesteld. Hij redeneert dat een bijzondere subsidieregeling waarbij ofwel de bevoegdheid tot het lager vaststellen van een subsidie (art. 4:46 Awb) ofwel een bevoegdheid tot terugvordering (art. 4:57 Awb) is vormgegeven als gebonden bevoegdheid, dit in strijd is met de Algemene wet bestuursrecht. Het gevolg hiervan is dat de betreffende bepalingen van de lagere subsidieregeling wegens strijd met de Awb onverbindend worden verklaard.6
Met tegenstrijdige uitspraken van twee hoogste bestuursrechters blijft onduidelijk wat de gevolgen van het discretionaire karakter van de intrekkingsbepalingen zijn voor de wijze waarop de bevoegdheid tot het lager vaststellen van een subsidie in lagere subsidieregelingen is vormgegeven. De memorie van toelichting bevat op dit punt ook weinig aanknopingspunten.7 Naar mijn idee is de lijn van de Afdeling een verdedigbare, mits daarbij niet uit het oog wordt verloren dat wanneer een begrenzing plaatsvindt dit dient te geschieden met het oog op de aard en het doel van de betreffende subsidie.8 Onder omstandigheden kan het wenselijk worden geacht om in meer algemene zin, dus los van het concrete geval, een belangenafweging te maken. De bijzondere wetgever is daartoe mijns inziens het beste in staat.