Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/2.2.1
2.2.1 Onderscheid tussen de twee vragen in het fiscale boeterecht
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS573511:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
W.E.C.A. Valkenburg, ‘Fiscaal strafrecht’, DD 2007/40, p. 529: “Uit de fiscale rechtspraak kan… worden afgeleid dat de kern van het ‘wanneer’ ligt bij de vraag of het ingenomen standpunt naar objectieve maatstaven beoordeeld pleitbaar is.” Zie voorts M.W.C. Feteris in zijn noot onder BNB 2004/75, onder 4, A.O. Lubbers, E. Poelmann, ‘Afbakeningsproblemen rondom ‘grove schuld’ en ‘opzet”, TFB 2007-2, p. 69; S.F. van Immerseel en D. Liem, ‘Het pleitbaar standpunt: de objectieve versus de subjectieve benadering’, TFB 2011-7, p. 10-11, W.E.C.A. Valkenburg en J.H. van der Werff, Fiscaal straf- en strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 40; G.J.M.E. de Bont en A.B. Vissers, ‘Het pleitbare standpunt: kruisbestuiving?’, Het Register 2014-2, p. 21; L.A. de Blieck, J. de Blieck, E.A.G. van der Ouderaa, R.J. Koopman, S.C.W. Douma en J. Wortel, Algemene wet inzake rijksbelastingen, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 468- 469; F.J.P.M. Haas, Bestuurlijke boeten in het belastingrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 28, 29.
C. Bruijsten, ‘Het leerstuk van het pleitbare standpunt’, WFR 2012/6945, concludeert op p. 369 dat het pleitbare standpunt een alles-of-niets-begrip is, maar geeft hiervoor een andere verklaring.
IRC section 6662 (b)(2) io. (d)(2)(b)(i).
IRC section 6662 (b)(2) io. (d)(2)(b)(ii).
Zoals zojuist in de inleiding opgemerkt gaat het bij de beoordeling van een pleitbaar standpunt verweer eigenlijk niet om de beantwoording van één, maar om de beantwoording van twee vragen: de vraag wanneer een onjuist standpunt een pleitbaar standpunt vormt en de vraag wanneer een pleitbaar standpunt tot het ontbreken van opzet en overigens ook tot het ontbreken van grove schuld leidt.
Voor de beantwoording van de eerste en de tweede vraag gelden verschillende criteria. Hierna zal ik laten zien dat, zoals ook in de literatuur wordt aangenomen, de beoordeling of een standpunt pleitbaar is in de fiscale boetejurisprudentie plaatsvindt aan de hand van objectieve criteria.1
Bij de beoordeling van de vraag wanneer een pleitbaar standpunt tot het ontbreken van opzet en grove schuld leidt, kan in de fiscale boetejurisprudentie eerder worden gesproken van het niet hanteren van criteria. In hoofdstuk 4 zal namelijk blijken dat de belastingkamer van de Hoge Raad, zodra een pleitbaar standpunt voorhanden is, de subjectieve omstandigheden die normaal voor de vaststelling van grove schuld en opzet van belang zijn – de mate van zorgvuldig en voorzichtig handelen, de persoon, het weten en willen van de belastingplichtige – tot nu toe steeds buiten beschouwing heeft gelaten. Hierna wordt ook wel gesproken van objectieve werking van het pleitbare standpunt.
Als gevolg van deze objectieve werking vormt het pleitbaar standpunt begrip in het fiscale boeterecht een alles-of-niets-begrip: een standpunt is pleitbaar of niet pleitbaar.2 Het maken van een onderscheid naar de mate waarin het standpunt pleitbaar is, is niet zinvol, omdat dit onderscheid toch niet kan worden door vertaald in de beoordeling of kan worden gesproken van opzet of grove schuld. Immers, als een standpunt voldoende pleitbaar is, ontbreken opzet en grove schuld in het fiscale boeterecht tot nu toe zonder meer.
Het pleitbaar standpunt begrip hoeft geen alles-of-niets begrip te vormen. Zo kent het belastingrecht van de Verenigde Staten – het pleitbaar standpunt begrip is in dit recht een wettelijk begrip – wel een onderscheid naar de mate waarin een standpunt pleitbaar is. Als een standpunt minstens een bepaalde in de wet genoemde mate van verdedigbaarheid heeft, kan een boete wegens het doen van een aanmerkelijk te lage belastingaangifte achterwege blijven, vooropgesteld dat de relevante feiten in of bij de aangifte zijn medegedeeld.3 Als het standpunt een hogere mate van verdedigbaarheid heeft, kan deze boete ook zonder melding achterwege blijven.4 Ik beperk mij tot het noemen van deze voor Nederland theoretische mogelijkheid; in dit onderzoek wordt hier verder niet op ingegaan. Het beantwoorden van de twee zojuist genoemde vragen is bij het pleitbare standpunt als alles-of-niets-begrip al gecompliceerd genoeg.