Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/3.4.2.4
3.4.2.4 Aansprakelijkheid bij de maatschap: onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW)
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS386777:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595, NJ 1980/34 (Kleuterschool Babbel). Mohr & Meijers 2013, par. 4.3.3, Asser/Van Olffen 7-VII*, nr. 133 en Tervoort 2015, p. 134.
Volledigheidshalve merk ik op dat dit wat betreft de aansprakelijkheid voor ondergeschikten (art. 6:170 BW) anders is. Aangenomen dat de ondergeschikte bij de stille maatschap in dienst is, kunnen alle vennoten op grond van art. 6:170 BW voor een fout van een ondergeschikte worden aangesproken.
Voor onrechtmatig handelen van een maat buiten de normale vervulling van zijn werkzaamheden (bijvoorbeeld bij valsheid in geschrifte) zullen in beginsel noch de overige vennoten noch de maatschap aansprakelijk zijn. Mohr & Meijers 2013, p. 114.
Maeijer, Huizink, Kroeze en Mohr & Meijers verdedigen deze stelling op basis van het Kleuterschool Babbel-arrest. Hoewel dit arrest ziet op rechtspersonen, menen zij dat dit arrest naar analogie op de personenvennootschap kan worden toegepast (zie Asser/Maeijer 5-V, nr. 118-121a en 192, Kroeze 2013, p. 152, Huizink 2014 p. 33 en Mohr & Meijers 2013, p. 114 ). Stokkermans denkt hier anders over. Volgens hem ziet het Kleuterschool Babbel-arrest slechts op rechtspersonen en kan het derhalve niet analogisch toegepast worden op de personenvennootschappen (zie hierover Stokkermans 2015, p. 185).
Zie HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595, NJ 1980/34 (Kleuterschool Babbel).
Asser/Maeijer 5-V, nr. 118 en 119, Assink/Slagter 2013, p. 1995 en Groene Serie Personenassociaties, par. 3.3.7.1.
Asser/Maeijer 5-V, nr. 119.
Mohr & Meijers 2013, p. 114 en Groene Serie Personenassociaties, par. 4.2.3.1. Van Veen 2015.
Van Veen 2015.
En dus geen volmacht die aan de basis ligt van de gebondenheid.
Wuisman 2015a, p. 33.
Wuisman 2015a, p. 34.
Zie hierover ook Kortmann in zijn annotatie bij HR 18 september 2015 onder nr. 6. HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2745, JOR 2015/289, m.nt. Kortmann (Alasco Vastgoed).
Reijnen 2015.
HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881, NJ 2013/302, m.nt. P. van Schilfgaarde (Villa Mundo). Zie voor een uitgebreide bespreking van dit arrest paragraaf 3.4.3.4.
De Hoge Raad bevestigde dit standpunt nogmaals in zijn arrest van 18 september 2015. HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2745, JOR 2015/289, m.nt. Kortmann (Alasco Vastgoed).
De in de vorige paragraaf besproken aansprakelijkheid van de maten van een maatschap speelt in de gevallen waarin sprake is van vertegenwoordiging. Vertegenwoordiging heeft, zoals gezegd, betrekking op rechtshandelingen. Door middel van een rechtshandeling bindt een vennoot de maatschap en ontstaat er een overeenkomst met de derde. Wanneer deze overeenkomst niet wordt nagekomen, is er sprake van een – al dan niet toerekenbare – tekortkoming in de nakoming (artikel 6:74 BW). Met andere woorden: de situatie die hiervoor is besproken, is die waarin de maatschap een overeenkomst (al dan niet van opdracht) met een derde niet nakomt.
Zoals blijkt uit hetgeen in paragraaf 3.2.2 besproken, kan een beroepsbeoefenaar bij de uitoefening van zijn beroep ook aansprakelijk zijn op grond van een onrechtmatigedaad. Een onrechtmatige daad is geen rechtshandeling, maar een feitelijkehandeling. Wanneer een vennoot een onrechtmatige daad pleegt vertegenwoordigt hij de maatschap niet en dus kan er op die grond geen gebondenheid ontstaan voor (de vennoten van) de maatschap. In deze paragraaf wordt besproken in hoeverre er bij (het gebruik van) de maatschap (toch) (persoonlijke) aansprakelijkheid kan bestaan voor onrechtmatige daad.
In het kader van onrechtmatige daad moet onderscheid gemaakt worden tussen de stille en de openbare maatschap. Wat betreft de stille maatschap ben ik met Mohr & Meijers, Van Olffen en Tervoort van mening dat het niet erg voor de hand ligt dat de maatschap of de overige vennoten kunnen worden aangesproken in het geval dat een van hen een onrechtmatige daad pleegt. Dit zou immers (moeten) impliceren dat de stille maatschap de onrechtmatige daad zou hebben gepleegd. Met andere woorden: de onrechtmatige gedraging zou in het maatschappelijk verkeer moeten gelden als een gedraging van de stille maatschap (en dus van de vennoten gezamenlijk handelend).1 Nu het bestaan van de stille maatschap naar buiten toe niet kenbaar is, is dit lastig voorstelbaar. Derhalve is de vennoot van een stille maatschap slechts aansprakelijk voor een door hemzelf gepleegde onrechtmatige daad.2
Ook voor de vennoot van een openbare maatschap geldt dat hij, wanneer hij, in het kader van de vervulling van zijn normale werkzaamheden voor de maatschap, een onrechtmatige daad pleegt, primair zelf aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade.3 Hoewel er een enkele auteur is die anders bepleit, is de heersende opvatting in de literatuur (en tevens de mijne) dat daarnaast ook de maatschap voor dit onrechtmatig handelen aansprakelijk kan zijn.4 Dit is het geval wanneer het onrechtmatig handelen van de vennoot of vennoten ingevolge het Kleuterschool Babbel-arrest naar verkeersopvatting tevens heeft te gelden als een gedraging van de maatschap zelf.5 Als er sprake is van een door een van de maten gepleegde, aan de maatschap toerekenbare onrechtmatige daad, dan zijn alle maten hiervoor (op grond van een ruime uitleg van artikel 7A:1679 BW e.v.) persoonlijk aansprakelijk en kan de schade tevens worden verhaald op het afgescheiden vermogen van de maatschap. Over wat vervolgens de omvang is van deze persoonlijke aansprakelijkheid zijn de meningen in de literatuur verdeeld. Maeijer, Assink/Slagter en Tervoort bepleiten dat het hier gaat om een aansprakelijkheid voor gelijke delen op grond van artikel 7A:1679 BW e.v. Volgens hen zijn artikel 7A:1679 e.v. van toepassing op alle verbintenissen en schulden van de maatschap jegens derden.6
‘In de eerste plaats wijs ik wederom op de aanhef van art. 1679 dat spreekt over het verbonden zijn van de vennoten voor de schulden van de maatschap; en op het opschrift van de derde afdeling van titel 9 dat luidt: van de verbintenissen der vennoten ten aanzien van derden. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt al naargelang de verbintenissen of schulden ontstaan uit overeenkomsten c.q. een rechtshandeling of uit onrechtmatige daad’, aldus Maeijer.7
Mohr & Meijers, Van Veen en Stokkermans zijn van mening dat het gaat om een hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 6:102 BW. Zij maken onderscheid in soorten verbintenissen: (verbondenheid voor) verbintenissen uit rechtshandelingen en verbintenissen uit de wet, en menen dat artikelen 7A:1679-1681 slechts zien op verbintenissen uit rechtshandelingen en niet op die uit de wet nu artikel 7A:1680 spreekt over crediteuren met ‘wien zij gehandeld hebben’.8
‘Een fundamentele vraag is of het correct en wenselijk is dat via het vennootschapsrecht wettelijke aansprakelijkheidsregelingen worden opgerekt tot buiten de situaties waarop zij betrekking hebben. In het ergste geval ontspoort de jurisprudentie en worden maten en vennoten op grond van art. 7A:1679 e.v. BW/art. 18 WvK in privé (ook) aansprakelijk gehouden voor verbintenissen uit de wet, ook al zou er uitgaande van de desbetreffende aansprakelijkheidsregel geen grond zijn om hen aansprakelijk te houden. Dit heeft de wetgever niet voor ogen gestaan.’9
Naar mijn mening valt voor beide standpunten iets te zeggen. Met Wuisman ben ik van mening dat dit vraagstuk zowel vanuit de positie van de vennoot als van de derde (gelaedeerde) bekeken kan worden, elk met een andere uitkomst. Kijkend naar de positie van de vennoot geldt dat de vennoten elkaar over en weer geen opdracht10 geven tot het plegen van een onrechtmatige daad en dat in dit licht de verzwaring van de persoonlijke aansprakelijkheid van een vennoot bij onrechtmatige daad (ten opzichte van de aansprakelijkheid voor gelijke delen bij een verbintenis uit een rechtshandeling) vreemd aanvoelt. Wanneer we kijken naar de positie van een derde (gelaedeerde) kan beargumenteerd worden dat deze bij het aangaan van een overeenkomst in ogenschouw kan nemen dat er sprake is van persoonlijke aansprakelijkheid voor gelijke delen maar dat dit niet het geval is bij een onrechtmatige daad. Hoofdelijke aansprakelijkheid zou dan dus (juist wel) (kunnen) worden aangenomen op grond van derdenbescherming.11 Wuisman merkt terecht op dat hierbij echter de vraag opkomt of een persoonlijke aansprakelijkheid van de vennoten logischerwijs zou moeten volgen uit de objectieve toerekening van de onrechtmatige daad aan de vennootschap. Bij toepassing van artikelen 7A:1679-1681 BW (op basis van volmacht) wel – de vennoten zijn immers ‘voor het geheel voor de schulden van de maatschap verbonden’ – maar bij de toepassing van het commune recht niet.12
Omdat zoals gezegd, mijns inziens uit een aan de maatschap toerekenbare onrechtmatige daad persoonlijke aansprakelijkheid van de vennoten zou moeten volgen, ben ik, ook op basis van de hierboven genoemde argumenten van Maeijer (e.a.), van mening dat de vennoten hiervoor voor gelijke delen aansprakelijk zijn. Een argument dat tevens voor deze stelling spreekt, is dat een derde reeds bescherming ontleent aan het feit dat de schade die voortvloeit uit een aan de maatschap toerekenbare onrechtmatige daad, tevens (voor het geheel) kan worden verhaald op het afgescheiden vermogen van de maatschap.
In het kader van de, hiervoor besproken, persoonlijke aansprakelijkheid van een vennoot voortvloeiende uit een door een van de andere vennoten gepleegde onrechtmatige daad, geldt dat een natuurlijk-persoon-vennoot niet vereenzelvigd wordt met zijn praktijkvennootschap. Dit betekent dat een beroepsbeoefenaar zich door gebruikmaking van een praktijk-BV kan beschermen tegen de aansprakelijkheid voor een onrechtmatige gedraging van een van zijn medematen.13 De maten van een openbare maatschap zullen bovendien op basis van het Biek-arrest slechts aansprakelijk zijn voor onrechtmatige daden door andere maten gepleegd in de periode dat zij maat waren.14 De maat die de onrechtmatige daad feitelijk heeft gepleegd, kan echter niet ontkomen aan persoonlijke aansprakelijkheid. In het arrest Villa Mundo bevestigde de Hoge Raad deze aansprakelijkheid die voortvloeit uit de schending van een zorgvuldigheidsnorm door een dienstverlener. Ook de bestuurder van een BV kan op basis van dit arrest persoonlijk, in de hoedanigheid van dienstverlener, buiten de vennootschap om (niet in zijn functie als bestuurder), aansprakelijk worden gesteld.15 Het gebruik van een (praktijk-)BV zal de beroepsbeoefenaar tegen deze aansprakelijkheid dan ook niet beschermen.16