De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV
Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/8.5:8.5 Vordering tot medewerking tot het nemen van een besluit
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/8.5
8.5 Vordering tot medewerking tot het nemen van een besluit
Documentgegevens:
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS387764:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De Monchy & Timmerman 1991, p. 51.
Rb. Roermond 17 mei 1973, NJ 1974, 57.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Aard van het middel
In de literatuur wordt de mogelijkheid geopperd dat de vennootschap onder omstandigheden op grond van de aanvullende werking van de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid van een grootaandeelhouder vordert dat die aandeelhouder meewerkt tot het nemen van een besluit, bijvoorbeeld de vaststelling van de jaarrekening na eerdere weigering daartoe.1
In het vonnis van de rechtbank Roermond van 17 mei 19732 ging het om een grootaandeelhouder in een NV. Hij stemde tegen de vaststelling van de jaarrekening zonder concreet aan te geven in hoeverre die jaarstukken naar zijn mening gewijzigd moesten worden. Daarmee verhinderde hij de vaststelling van de, al dan niet gewijzigde, jaarstukken. De rechtbank acht dat in strijd met de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid, zowel jegens de andere aandeelhouders als jegens de vennootschap. De rechtbank oordeelde bovendien dat de grootaandeelhouder zich niet rechtsgeldig tegen de vaststelling van de jaarrekening heeft verzet, zodat deze is vastgesteld. Daarnaast veroordeelde de rechtbank de grootaandeelhouder tijdens de eerstkomende algemene vergadering aan de andere aandeelhouders gemotiveerd kenbaar te maken waarom hij niet kan instemmen met de vaststelling, al dan niet in gewijzigde vorm, van de jaarrekeningen van andere boekjaren, bij gebreke waarvan de grootaandeelhouder wordt geacht zich van stemming over die andere jaarrekeningen te hebben onthouden. Tot slot oordeelde de rechtbank dat de grootaandeelhouder, zolang hij over de meerderheid van het geplaatste aandelenkapitaal beschikt en de jaarvergaderingen bijwoont, gehouden is gemotiveerd te verklaren over de door het bestuur opgemaakte jaarstukken en aan de vaststelling van die – al dan niet gewijzigde – jaarstukken mede te werken, bij gebreke waarvan hij geacht wordt zich van stemming over die jaarstukken te hebben onthouden.
Uit het eerder besproken Van Rees/Smits-arrest3 volgt dat het besluit van de algemene vergadering de restantwinst zodanig te verdelen, dat de minderheidsaandeelhouders, die voor het genieten van winst uit de resultaten van de vennootschap uitsluitend op het uit te keren dividend zijn aangewezen, zelfs niet een redelijke rente verkregen voor het door hen geïnvesteerde kapitaal, alle omstandigheden in aanmerking nemende, in redelijkheid niet genomen had kunnen worden. Er volgde dan ook vernietiging van het besluit. De rechtbank overwoog dat het haar niet vrijstaat de bevoegdheid tot bestemming van de winst naar zich toe te trekken, zodat de algemene vergadering met inachtneming van het vonnis van de rechtbank een nieuw besluit diende te nemen. Het hof nam deze drempel echter wel, althans op een andere wijze, en wees de gewijzigde eis van de minderheidsaandeelhouders toe. Die gewijzigde eis hield in dat de algemene vergadering diende te beslissen dat uit de algemene reserves alsnog een bedrag van f 49.200 onder de aandeelhouders zal worden verdeeld. Het hof achtte de aanwezige dividendreserve daartoe voldoende en overwoog dat een verhoging van het dividend van f 15.000 tot f 64.200, met inachtneming van de beslissingsvrijheid die de algemene vergadering verder heeft, als een minimum moet worden aangemerkt.
Concluderend: uit de literatuur en rechtspraak volgt dat onder omstandigheden een vordering tot medewerking tot het nemen van een besluit (succesvol) kan worden ingesteld.
Welke kapitaalverschaffer zonder stemrecht komt de vordering tot medewerking tot het nemen van een besluit toe?
Naar mijn mening komt de vordering tot medewerking tot het nemen van een besluit toe aan alle kapitaalverschaffers zonder stemrecht, uitgezonderd de houder van certificaten zonder vergaderrecht. Hij behoort immers niet tot de kring van betrokkenen in de zin van art. 2:8 BW. De grondslag voor de vordering is de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid.
Knelpunten
Ik ben van mening dat de rechter met de nodige terughoudendheid de vordering tot medewerking tot het nemen van een besluit moet beoordelen. Uit de twee besproken uitspraken blijkt immers dat sprake is van bijzondere omstandigheden. In het vonnis van de rechtbank Roermond van 17 mei 1973 ging het om een grootaandeelhouder die ongemotiveerd misbruik maakte van zijn meerderheidspositie. In het Van Rees/Smits-arrest oordeelde het hof dat de algemene reserves een verhoging van het dividend toelieten. Daarbij was sprake van een familievennootschap en speelde een rol dat de directeur-meerderheidsaandeelhouder door het bestreden besluit zijn tantième (relatief) zag stijgen. Die terughoudendheid klemt te meer ingeval van een vordering tot medewerking van een besluit tot uitkering van (een hoger) dividend. Ik verwijs naar hetgeen ik in paragraaf 7.5.4.2 ter zake van winstreservering heb betoogd.