Stil pandrecht op vorderingen op naam
Einde inhoudsopgave
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/151:151 Art. 3:36 BW
Stil pandrecht op vorderingen op naam (O&R nr. 43) 2007/151
151 Art. 3:36 BW
Documentgegevens:
mr. ing. A.J. Verdaas, datum 14-08-2025
- Datum
14-08-2025
- Auteur
mr. ing. A.J. Verdaas
- JCDI
JCDI:BSD21609:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 17 januari 2003, JOR 2003/52 m.nt. M.H.E. Rongen, NJ 2004, 281 m.nt. HJS (Oryx/Van Eesteren).
Zo ook Beekhoven van den Boezem 2003a, p. 91 en P-G Hartkamp in zijn conclusie vóór het arrest Oryx/Van Eesteren.
Vgl. Beekhoven van den Boezem 2003a, p. 86.
Zie Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 202.
Vgl. Parl. Gesch. Boek 3, p. 180.
Zie par. 7.5.1 hierna.
Vgl. Parl. Gesch. Boek 3, p. 180. Zo ook Verhagen en Rongen 2000, p. 116.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De pandhouder is voor derdenbescherming aangewezen op art. 3:36 BW.1Art. 3:36 BW beschermt de pandhouder tegen onverpandbaarheid van een vordering indien hij in redelijk vertrouwen is afgegaan op verklaringen of gedragingen waaruit hij mocht afleiden dat de vordering wel verpandbaar was en indien voldaan is aan de overige in het artikel genoemde vereisten. De pandhouder moet zijn afgegaan op verklaringen of gedragingen van degene tegenover wie hij zich op derdenbescherming beroept.
In de praktijk zal de pandhouder zich niet (alleen) tegenover de pandgever, maar (ook) tegenover de debiteur van de verpande vordering op zijn pandrecht willen beroepen, zodat hij de debiteur tot betaling kan aanspreken. Wil het beroep op derdenbescherming van de pandhouder jegens de debiteur kans van slagen hebben dan moet de pandhouder in redelijk vertrouwen zijn afgegaan op verklaringen en gedragingen van de debiteur. Verklaringen en gedragingen van de pandgever regarderen de debiteur niet en bieden de pandhouder niet de bescherming die hij zoekt, namelijk de bescherming waaraan hij tegenover de debiteur de positie van pandhouder kan ontlenen, zodat hij de vordering kan innen of executeren en zich met voorrang op de opbrengst kan verhalen.2 In veel situaties zal van gedragingen of verklaringen van de debiteur waar de pandhouder op heeft vertrouwd geen sprake zijn, om de reden dat de pandhouder ten tijde van de vestiging van het pandrecht uitsluitend contact heeft met de pandgever en niet met de debiteur.
Een bijkomend probleem van de pandhouder kan zijn dat hij er in een aantal gevallen op bedacht kan zijn dat de pandgever en de debiteur onverpandbaarheid zijn overeengekomen. In die gevallen zal zijn vertrouwen op verpandbaarheid niet snel gerechtvaardigd zijn.3 Zo is het niet ongebruikelijk om in levensverzekeringsovereenkomsten op te nemen dat de rechten uit de overeenkomst niet of niet zonder toestemming van de verzekeraar mogen worden overgedragen of met een beperkt recht belast.4 Veel professionele financiers zullen met dit gebruik bekend zijn.
Uit de wetsgeschiedenis van art. 3:36 BW blijkt dat een derde aan verklaringen of gedragingen die niet tot hem zijn gericht, niet snel het gerechtvaardigde vertrouwen kan ontlenen dat een vordering niet door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar onverpandbaar is; het risico dat hij de rechtsbetrekking tussen pandgever en schuldenaar niet volledig kent is in beginsel voor zijn rekening.5 Ook hier geldt dat het enkele feit dat een overeenkomst gevolgen heeft voor een derde, alsmede dat die derde de inhoud van de overeenkomst niet altijd zal kennen, niets afdoet aan de inhoud van die overeenkomst en niet van invloed is op de wijze waarop die inhoud moet worden vastgesteld.6
Gerechtvaardigd vertrouwen wordt sneller aangenomen indien de derde afgaat op een schriftelijk bewijsstuk van de vordering waarin de onverpandbaarheid niet is vermeld.7 Hierbij zal een rol spelen dat een dergelijk stuk veelal mede bedoeld is om niet alleen partijen, maar ook derden inzicht in het bestaan en de kwaliteit van een vordering te verschaffen.