Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/2.4.1
2.4.1 Zekerheidsrechten en andere zakenrechtelijke rechten
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS489130:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
A.R.G. van Dijk-Barkmeijer e.a., ‘Waterwoningen in IJburg: tussen wal en schip? Enkele privaatrechtelijke, fiscale en ruimtelijk bestuursrechtelijke aspecten van wonen op het water’, BR 2007, afl. 2, p. 111.
A.R.G. van Dijk-Barkmeijer e.a., ‘Waterwoningen in IJburg: tussen wal en schip? Enkele privaatrechtelijke, fiscale en ruimtelijk bestuursrechtelijke aspecten van wonen op het water’, BR 2007, afl. 2, p. 112.
In hoofdstuk 6 wordt de inhoud van het begrip ‘erf’ uitgebreid besproken (zie par. 6.1.3). Geconcludeerd wordt dat het begrip ‘erf’ een synoniem is voor ‘onroerende zaak’.
Art. 8:1 BW geeft de definitie van een schip:
“In dit wetboek worden onder schepen verstaan alle zaken, geen luchtvaartuigen zijnde, die blijkens hun constructie bestemd zijn om te drijven en drijven of gedreven hebben.”
De definitie van art. 8:1 BW is erg ruim. Tal van zaken zullen hierdoor als schip te gelden hebben en zo als roerende zaken aangemerkt dienen te worden. Ook de drijvende steigers, die in 2002 nog gekwalificeerd werden als onroerende zaken, zullen onder de definitie van art. 8:1 BW vallen. De conclusie dat gebouwen en werken die drijven in beginsel roerende zaken zijn, heeft echter een aantal belangrijke juridische consequenties. Allereerst voor de financiering van drijvende woningen. Het feit dat het roerende zaken zijn, betekent immers dat, indien een drijvende woning zoals bijvoorbeeld in de wijk IJburg in Amsterdam gefinancierd is met een lening tot zekerheid van terugbetaling waarvan een recht van hypotheek gevestigd is, het hypotheekrecht in beginsel enkel het (eventuele) (water)perceel omvat en niet de woning zelf. Enkel onroerende zaken worden immers op grond van art. 3:3 j°5:20 lid 1 sub e BW nagetrokken door de eigendom van de grond. Dit is slechts anders indien de drijvende woning als binnenschip geregistreerd is in het Scheepsregister (art. 8:790 BW). In dat geval maakt de registratie de waterwoning tot een registergoed, waarop een (separaat1 ) hypotheekrecht gevestigd kan worden op grond van art. 3:227 BW. De vraag is of hier bij de financiering van drijvende woningen altijd aan gedacht is. Zo blijkt uit een artikel in het tijdschrift Bouwrecht uit 2007 nog dat de Gemeente Amsterdam de woningen op het Steigereiland in Amsterdam behandelde als onroerende zaken.2 In hetzelfde artikel wordt ook gesteld dat het “aannemelijk is dat deze woningen (op het Steigereiland, PP) thans door de rechter als onroerend zullen worden gekwalificeerd.”3 De bedoelde drijvende woningen zijn net als de woonark uit het Woonarkarrest met beugels aan meerpalen bevestigd zodat ze mee kunnen bewegen met het waterpeil. Wanneer deze drijvende woningen destijds niet tevens als schip geregistreerd zijn in het Scheepsregister, stond als zekerheidsrecht enkel de weg van het vestigen van een pandrecht open.
Maar de kwalificatie roerend heeft niet alleen belangrijke consequenties voor de vestiging van zekerheidsrechten. Het feit dat drijvende woningen als roerende zaken aangemerkt worden, sluit ook de toepassing van andere beperkte zakelijke rechten uit: zo kan de drijvende woning niet bezwaard worden met een recht van opstal en bestaat er geen mogelijkheid om een recht van erfpacht te vestigen voor roerende zaken.
Ook is een roerende zaak geen ‘erf’,4 zodat hiervoor geen erfdienstbaarheden gevestigd kunnen worden en bijvoorbeeld geen aanwijzing van een noodweg (in de zin van art. 5:57 BW) gevorderd kan worden.
Tot slot lijkt de tekst van art. 5:106 BW te impliceren dat een roerende zaak niet gesplitst kan worden in appartementsrechten. Dit zal in het navolgende nader besproken worden.