Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/3.6.2
3.6.2 Aansluiting bij de beleggingstheorie
mr. drs. P. Laaper, datum 17-11-2015
- Datum
17-11-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS594102:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Maatman 2004a, p. 232.
Hiervoor noemde ik al dat Maatman spreekt van een “totaleportefeuilletoets”, zie par. 3.4.2.
Art. 18, lid 1, sub e, Pensioenrichtlijn.
Het is wel een robuust model dat niet zómaar aan de kant geschoven moet worden.
Zie par. 3.2.4.
Maatman & Van der Graaf 2012, p. 13.
CBb 10 september 2013, JOR 2013/312, m.nt. Kuiper & Voerman (Vereenigde glasfabrieken) en (in eerste aanleg), Rb Rotterdam 15 maart 2012, JOR 2012/153, m.nt. Affourtit (Vereenigde glasfabrieken). Zie ook Maatman & Van der Graaf 2013a en Maatman & Van der Graaf 2012.
Maatman & Van der Graaf 2012, p. 9-19.
Zie bijv. de opsomming van risico’s in Vb, UvB & OPF 2010, p. 33-51.
Van het bestuur van een pensioenfonds mag men verwachten dat het kan onderbouwen hoe het tot zijn beleggingsbeslissingen komt. Daarvoor is allereerst nodig dat het bestuur een theoretisch onderbouwde gedachtegang aan zijn beslissing ten grondslag legt die haar in redelijkheid rechtvaardigt.1 Het bestuur moet dus kennis hebben van beleggingstheoretische inzichten en die ook gebruiken.
Ook de prudent person-regel geeft aanleiding om beleggingstheoretische inzichten toe te passen. Zowel de prudent person-regel als de beleggingstheorie richten zich niet op een beoordeling van individuele beleggingen, maar beogen een optimale totaal-portefeuille of “efficiënte portefeuille” te bewerkstelligen.2 In de beleggingstheorie wordt benadrukt dat, om het risico-rendementsprofiel te verbeteren, diversificatie noodzakelijk is. Ook de toepassing van de prudent person-regel verplicht tot diversificatie.3
Van een pensioenfondsbestuur mag men weliswaar verwachten dat het voor haar beleggingsbeslissingen gebruik maakt van beleggingstheoretische inzichten. Dat betekent niet dat een pensioenfondsbestuur niet van zulke beleggingstheoretische inzichten mag afwijken. De beleggingstheorie is slechts een model van de werkelijkheid, zij is niet de werkelijkheid zelf.4 Een belangrijke pilaar in de beleggingstheorie is de efficiënte-markthypothese.5 Markten zijn echter niet volmaakt efficiënt en beleggers niet zuiver rationeel. Soms slaat “the wisdom of the crowds” over in “the madness of the mobs”.6 Als pensioenfondsen gemiddeld 1 tot 3% van hun vermogen in edelmetalen hebben belegd, is het daarom niet op voorhand onverstandig om van die gemiddelden af te wijken en maar liefst 13% van het vermogen in goud te beleggen.7 Een dergelijke afwijking is niet op zichzelf een onjuiste beslissing. Ze vergt wel een gedegen onderbouwing, gedegener dan wanneer de markt gevolgd wordt.8
Men moet overigens bedacht zijn op het beperkte risico-begrip in de beleggingstheorie. Risico ziet in de beleggingstheorie op onzekerheid omtrent het precieze beleggingsresultaat. Het is daarom een maat voor de spreiding in mogelijke beleggingsuitkomsten, zowel de positieve als de negatieve. Naast dit beleggingsrisico staat een fonds natuurlijk aan meer risico’s bloot, zoals liquiditeitsrisico en het risico van fraude.9 Aan deze en andere risico’s dient het pensioenfonds óók aandacht te besteden.