Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/4.2.1
4.2.1 Objectieve werking
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS567442:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 4 juni 1986, BNB 1986/301, r.o. 4.6; HR 7 september 1988, BNB 1988/319, r.o. 4.4; HR 30 oktober 2010, BNB 2010/49, ECLI:NL:HR:2010:BK1488, r.o. 3.1.2 (een overweging in verband met het nalaten om de vereiste aangifte te doen).
HR 23 september 1992, BNB 1993/193, r.o. 3.3.6; HR 22 april 1998, BNB 1998/201, r.o. 3.5; HR 2 september 1998, BNB 1998/337, r.o. 3.2; HR 10 maart 1999, BNB 1999/308, r.o. 3.6.1; HR 13 september 2000, BNB 2000/348, ECLI:NL:HR:2000:AA7073, r.o. 3.11; HR 11 november 2005, BNB 2006/147, ECLI:NL:HR:2005:AU6018, r.o. 3.5; HR 11 januari 2013, BNB 2013/63, ECLI:NL:HR:2013:BY8091, r.o. 2.3.
Met uitzondering van HR 29 maart 1995, BNB 1995/155, r.o. 3.7. In dit arrest passeerde de belastingkamer van de Hoge Raad de stelling dat er sprake was van een pleitbaar standpunt, omdat het hof volgens haar terecht had geoordeeld dat op de desbetreffende belastingplichtige een onderzoeksplicht rustte ten aanzien van zijn belastingverplichting. Het is echter niet duidelijk of het niet voldoen aan deze onderzoeksplicht tot gevolg had dat het standpunt niet pleitbaar was, of dat ondanks het pleitbare standpunt toch kon worden gesproken van grove schuld.
HR 26 november 1986, BNB 1987/31, r.o. 4.2; HR 26 november 1986, BNB 1987/305, r.o. 4.4; HR 22 juli 1988, BNB 1988/271, r.o. 5.
Zoals J.P. Scheltens in zijn noot onder BNB 1987/31 opmerkte: “Mogelijk was geweest terugverwijzing naar het Hof of verwijzing naar een ander Hof om alsnog over die verhoging te oordelen omdat vragen van schuldgradatie van feitelijke aard plegen te zijn. Hier deed de Hoge Raad deze vraag echter zelf af met het argument dat, omdat belanghebbende in het hoofdgeschil door het Hof (…) in het gelijk was gesteld, van opzet of grove schuld niet kon worden gesproken.”
Met uitzondering van HR 26 november 1986, BNB 1987/305, r.o. 4.4. Ik veronderstel echter dat de Hoge Raad niet verwees om te beoordelen of het standpunt pleitbaar was of om te beoordelen of er sprake was van grove schuld of opzet, maar om te beoordelen in hoeverre het eensluidend oordeel van partijen over het boetepercentage nog bindend kon zijn. Er bleek immers niet te kunnen worden gesproken van grove schuld of opzet.
HR 11 juli 1984, BNB 1984/268, r.o. 4. Zo ook HR 12 september 2003, BNB 2004/75, ECLI:NL:HR:2003:AE4480, r.o. 3.4.
HR 23 september 1992, BNB 1993/193, r.o. 3.3.6; HR 10 maart 1999, BNB 1999/308, r.o. 3.6; HR 13 september 2000, BNB 2000/348, ECLI:NL:HR:2000:AA7073, r.o. 3.11; HR 8 februari 2002, BNB 2002/150, ECLI:NL:HR:2002:AD9105, r.o. 3.3; HR 11 november 2005, BNB 2006/147, ECLI:NL:HR:2005:AU6018, r.o. 3.5; HR 11 januari 2013, BNB 2013/63, ECLI:NL:HR:2013:BY8091, r.o. 2.3. (in deze zaak had de rechtbank tot opzet geconcludeerd, het hof had het standpunt gevolgd).
De belastingkamer van de Hoge Raad heeft in haar arresten verschillende formuleringen gebruikt om de invloed van het pleitbare standpunt op de vaststelling van opzet en grove schuld tot uitdrukking te brengen. Een formulering die sinds 1986 regelmatig terugkeert, is de formulering dat het standpunt zodanig verdedigbaar is (of voor het standpunt zodanige argumenten zijn aan te voeren) dat de belastingplichtige redelijkerwijs kon menen juist te handelen en dat het onder die omstandigheden niet aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat er te weinig belasting is geheven of betaald.1 Daarnaast wordt sinds 1992 regelmatig de formulering gebruikt dat het standpunt zodanig verdedigbaar is (of voor het standpunt zodanige argumenten zijn aan te voeren) dat, ook al wordt dit ten slotte onjuist bevonden, niet kan worden gezegd dat de belastingplichtige door dat standpunt in te nemen dermate lichtvaardig heeft gehandeld dat het aan zijn opzet of grove schuld is te wijten dat te weinig belasting is geheven of betaald.2
Deze formuleringen lijken erop te wijzen dat de criteria die bepalend zijn voor de vaststelling van opzet en grove schuld ook van toepassing zijn als er sprake is van een pleitbaar standpunt. Dit is in de arresten van de belastingkamer van de Hoge Raad echter niet terug te vinden. Zodra is geoordeeld dat een standpunt pleitbaar is, volgt zonder meer de formulering dat een belastingplichtige redelijkerwijs kon menen juist te handelen of de formulering dat de belastingplichtige niet lichtvaardig heeft gehandeld. De subjectieve omstandigheden die normaal voor de vaststelling van grove schuld en opzet van belang zijn – de mate van zorgvuldig en voorzichtig handelen, de persoon, het weten en willen van de belastingplichtige – worden niet meer in de overwegingen betrokken.3
Dit volgt in de eerste plaats uit een aantal arresten waarin de belastingkamer van de Hoge Raad, zonder dat er onderzoek naar de zojuist genoemde subjectieve omstandigheden was verricht, heeft geoordeeld dat grove schuld en opzet afwezig waren omdat het standpunt van de belastingplichtige pleitbaar was.4 In deze zaken was het standpunt van de belastingplichtige over de belastingheffing door de rechter in feitelijke instantie gevolgd, maar bleek dat standpunt in cassatie toch onjuist te zijn. Hierdoor herleefde in cassatie het boetegeschil. De rechter in feitelijke instantie had echter niets vastgesteld over de subjectieve omstandigheden; hij had het standpunt van de belastingplichtige immers gevolgd. Als deze omstandigheden van belang zouden zijn geweest voor de vaststelling van opzet of grove schuld, had de belastingkamer van de Hoge Raad moeten verwijzen.5 De belastingkamer heeft in deze arresten het boetegeschil echter zelf afgedaan en de boete vernietigd met het oordeel dat opzet en grove schuld ontbraken, omdat het standpunt van de belastingplichtige door de rechter in feitelijke instantie als juist was aanvaard en daarmee pleitbaar was.6
Dit volgt in de tweede plaats uit een aantal arresten waarin de belastingkamer van de Hoge Raad heeft geoordeeld dat er kon worden gesproken van een pleitbaar standpunt en dat opzet en grove schuld op grond daarvan ontbraken, terwijl de rechter in feitelijke instantie bepaalde subjectieve omstandigheden die voor de vaststelling van opzet of grove schuld van belang zijn, met name het weten dat het standpunt en daarmee de aangifte (mogelijk) onjuist waren, wél had vastgesteld. Het betrof hier zaken waarin de rechter in feitelijke instantie het standpunt van de belastingplichtige in het belastinggeschil niet had gevolgd, hetgeen in cassatie werd bevestigd. Zo had de rechter in feitelijke instantie in de uitspraak voorafgaand aan het eerste pleitbaar standpunt arrest geoordeeld dat het standpunt, ondanks dat de belastingplichtige zich ervan bewust was dat het mogelijk onjuist was, pleitbaar was en dat grove schuld en opzet aan de hand daarvan afwezig waren. De belastingkamer van de Hoge Raad heeft bevestigd dat het standpunt pleitbaar was en geoordeeld dat de omstandigheid dat de belastingplichtige zich ervan bewust was dat zijn standpunt en daarmee zijn aangifte mogelijk onjuist waren, niet afdeed aan het oordeel dat opzet en grove schuld ontbraken.7 Daarnaast heeft de belastingkamer van de Hoge Raad in een aantal arresten het boetegeschil zélf afgedaan met het oordeel dat het standpunt zodanig verdedigbaar was dat grove schuld en opzet ontbraken, nadat de rechter in feitelijke instantie, zonder te onderzoeken of het standpunt van de belastingplichtige pleitbaar was, op grond van de omstandigheid dat de belastingplichtige zich er bewust van was geweest dat zijn aangifte mogelijk onjuist was, nog wel tot grove schuld of zelfs tot opzet had geconcludeerd.8