Fusies en overnames in de Europese BTW
Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/3.5.3:3.5.3 Specialisten in Hof van Justitie?
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/3.5.3
3.5.3 Specialisten in Hof van Justitie?
Documentgegevens:
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS420615:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld, A.J. van Doesum, Ondanks een onlosmakelijke samenhang (oratie), Deventer: Kluwer 2013, blz. 42 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Resteert de vraag of het Hof van Justitie een kamer zou moeten formeren die bestaat uit louter fiscaalrechtelijke specialisten, of zelfs btw-specialisten? De vraag is welk probleem daarmee wordt opgelost. De hypothese van Posner volgend, zou een gespecialiseerde kamer tot gevolg hebben dat eerder gewezen zaken minder snel als precedent gelden dan nu het geval is. Een principe als het Rompelman-principe zal in dat geval minder snel leiden tot een geval als Kopalnia. Een btw-specialist had zich in de bestudering van de prejudiciële vragen inzake Kopalnia kunnen afvragen in hoeverre recht op aftrek kan bestaan wanneer kosten worden gemaakt ten behoeve van een van btw-vrijgestelde inbreng in een vennootschap. Naar mijn idee is de kans aanzienlijk dat dit of een ander element, zoals het onbreken van een correcte factuur, of een meer genuanceerde blik op de vraag of een inbreng kan worden gezien als een prestatie onder bezwarende titel, de aftrek bij Kopalnia had doorkruist, aangezien een gespecialiseerde btw-rechter wellicht meer oog had gehad voor de fiscaaltechnische verschillen tussen Faxworld en Kopalnia.1 Het was dan niet ondenkbaar geweest dat de door mij beschreven reeks van rechtspraak rond het Rompelman-principe reeds eerder was afgebroken of tot niet-aftrek had geleid. Wellicht was de reeks nooit tot stand gekomen. Zou daarmee meer recht gedaan zijn? Was de rechtszekerheid daarmee meer gediend geweest? Dit zijn gecompliceerde vragen die ik niet in zijn geheel behandel. Ik ben evenwel van mening dat de kracht van de principiële rechtspraak zoals beoefend door het Hof van Justitie schuilt in de voorzienbaarheid en kenbaarheid ervan voor justitiabelen. Die voorzienbaarheid en kenbaarheid vormen tegelijkertijd de toetssteen en begrenzing ervan.
Daarbij breng ik in herinnering dat kritische uitingen over de kwaliteit van de juridische redeneringen van het Hof van Justitie bepaald niet beperkt zijn tot btw-zaken. Minstens zoveel kritiek krijgen uitspraken op andere rechtsgebieden of beleidsterreinen. In die zin kan worden vastgesteld dat de meer algemeen juridische dan specifiek fiscaaltechnische kennis niet de hoofdoorzaak lijkt voor kritiek en onbegrip.
Desalniettemin lijkt het raadzaam voor het Hof van Justitie om meer kennis van het Europese (indirecte) belastingrecht binnen de poort te laten. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door meer referendarissen die leden van het Hof van Justitie (inhoudelijk) ondersteunen aan te nemen die een achtergrond hebben in het fiscale recht. Tot op heden is dit niet of nauwelijks het geval. Naar mijn idee kan op die wijze het onbegrip over ‘noodrem’-arresten of paradijsvogels worden beperkt.