Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.4.4
II.4.4 Veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS375261:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Ortlep hanteert in dit kader het begrip ‘nova’: ‘feiten en/of omstandigheden die zich hebben voorgedaan ná het nemen van een aan te tasten stabiele beschikking’. Vgl. Ortlep 2011, p. 202.
Ortlep 2011, p. 202. Ortlep duidt een en ander aan als ‘nova’. Nova hebben geen betrekking op de rechtsgeldigheid van een beschikking. Zie Ortlep 2011, p. 203.
Art. 8 lid 1 aanhef en onder b DHw.
Art. 8 lid 1 aanhef en onder b jo lid 2 DHw jo art. 3 lid 1 Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999.
Art. 31 lid 1 aanhef en onder b DHw.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 28 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1917.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 26 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1072.
Zie voor een voorbeeld CRvB 25 maart 2014, AB 2014/250 m.nt. Den Ouden en RSV 2014/113 m.nt. Bruggeman. Zie over de intrekking van subsidiebesluiten meer uitgebreid hoofdstuk 11.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 24 augustus 2011, AB 2011/308 m.nt. Ortlep en ABRvS 11 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:750.
Model Rules Book III, p. 141 met een verwijzing naar art. 49 lid 1 aanhef en onder nr. 5 VwVfG.
CRvB 20 mei 2014, AB 2014/312 m.nt. Bruggeman. Zie voor een andere situatie waarin veranderde omstandigheden leidden tot gewijzigde inzichten ABRvS 6 februari 1995, M&R 1995/112 m.nt. Gilhuis.
Een derde belangrijke intrekkingsgrond is de aanwezigheid van veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten.1 Deze doen zich voor nadat een bepaalde beschikking is gegeven.2 Hieronder valt een breed scala aan gevallen. Er is sprake van een containerbegrip. In deze paragraaf worden enkele van deze gevallen besproken. Deze grond voor intrekking komt voorts nog aan bod in hoofdstuk 11 van dit boek, waarin de subsidietitel van de Awb centraal staat. In art. 4:50 lid 1 aanhef en onder b Awb is namelijk bepaald dat de beschikking tot subsidieverlening kan worden ingetrokken
‘[…] voor zover veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten […].’
Een verandering van omstandigheden kan zich in de eerste plaats voordoen aan de zijde van de geadresseerde. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de situatie waarin de geadresseerde niet meer voldoet aan bepaalde eisen voor het mogen behouden van een bepaalde vergunning. Wanneer bijvoorbeeld een drank- en horecavergunning wordt verleend, geldt als eis dat de vergunninghouder niet in enig opzicht van slecht levensgedrag mag zijn.3 Wanneer de vergunninghouder na verloop van tijd een misdrijf begaat waardoor hij voor een jaar de gevangenis in moet, kan niet meer worden volgehouden dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is.4 Een en ander vormt grond voor intrekking.5 Eenzelfde situatie deed zich voor toen een verklaring van geen bezwaar werd ingetrokken die was verleend aan militair, omdat hij was veroordeeld wegens poging tot zware mishandeling.6 Een ander voorbeeld is de situatie waarin een exploitatievergunning voor een horecabedrijf wordt ingetrokken, omdat in de betreffende horecagelegenheid drugs zijn aangetroffen.7 Ook dan kan worden gezegd dat de geadresseerde niet meer voldoet aan de eisen om in aanmerking te komen voor een beschikking, beter gezegd: om een aan hem gegeven beschikking te mogen behouden. Tot slot kan ook een door de geadresseerde begane overtreding als een verandering van omstandigheden aan de zijde van de geadresseerde worden gekwalificeerd. Er is dan sprake van een intrekking bij wijze van sanctie. Dit betreft echter een aparte categorie, omdat daarbij een aparte normering geldt. Om die reden is de intrekking wegens overtreding apart besproken.
Een verandering van omstandigheden kan zich ook anders dan aan de zijde van de geadresseerde voordoen. In de eerste plaats kan worden gedacht aan een verslechtering van de financiële situatie van het bestuursorgaan, als gevolg waarvan moet worden bezuinigd. Zo kunnen subsidiebeschikkingen onder omstandigheden vanwege budgettaire redenen worden ingetrokken.8 Soms gaat een verandering van omstandigheden aan de zijde van het bestuursorgaan samen met een wijziging van beleidsinzichten. Wanneer bijvoorbeeld de parkeerdruk binnen een gemeente toeneemt, kan dit er toe leiden dat het beleid inzake het verstrekken van parkeervergunningen wordt aangescherpt. Personen die beschikken over een parkeervergunning, kunnen daarop worden geconfronteerd met een intrekkingsbesluit.9
Ook kan sprake zijn van een verandering van omstandigheden die zich niet specifiek aan de zijde van het bestuursorgaan of de geadresseerde voordoet, maar wel kan leiden tot intrekking. In zowel de Model Rules als het Duitse Verwaltungsverfahrensgesetz is voorzien in een grondslag voor intrekking ter voorkoming van ernstige schade. Zo luidt art. III 36 lid 3 aanhef en onder c van de Model Rules:
‘The public authority may rectify or withdraw a lawful decision that is beneficial to a party. […] This power may be exercised outside the time-limits for legal challenge in the following circumstances:
[…]
(c) in order to prevent or eliminate serious harm. […].’
Voor deze bepaling is inspiratie geput uit het Duitse Verwaltungsverfahrensgesetz, waarin een soortgelijke intrekkingsgrondslag is opgenomen.10
Een wijziging van inzichten kan tevens betrekking hebben op wetsuitleg of de juridische kwalificatie van een bepaalde situatie. Een voorbeeld biedt een uitspraak van de CRvB uit 2014. De bijstandsuitkering van appellante werd beëindigd omdat zij samenwoonde met haar zus. Het bevoegde bestuursorgaan was op de hoogte van dit samenwonen, maar een en ander kwalificeerde naar zijn oordeel niet als ‘gezamenlijke huishouding’ in de zin van art. 3 WWB. Die opvatting veranderde echter. De CRvB overwoog:
‘De omstandigheid dat het dagelijks bestuur de woonsituatie in het verleden niet heeft gekwalificeerd als een gezamenlijke huishouding leidt er niet toedat die situatie later, op grond van nieuwe en gewijzigde inzichten, wel als zodanig kan worden aangemerkt met als gevolg dat de bijstand naar de norm voor een alleenstaande wordt beëindigd.’11