Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/6.6.2.2
6.6.2.2 Evenredigheidsbeginsel
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS595254:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 6.5.3.1.
Art. 3:1, lid 2 jo. art. 3:4 Awb. Zie ook Kamerstukken II, 1988-1989, 21221, nr. 3, p. 19-20.
Zie ook Stb. 2009, 43, p. 3.
Voor de contractuele inlichtingenbevoegdheid ten gunste van de toezichthouder is dat wel geëxpliciteerd (art. 13, lid 2, sub d, Bupw), maar niet voor het onderzoek ter plaatse (sub g van hetzelfde artikel). Dit is ook zo bij DNB-vergunde ondernemingen (art. 31 Bpr). Het Bgfo bevat nergens de beperking in het gebruik van de contractuele bevoegdheden voor de toezichthouder tot de uitvoering van hun wettelijke toezichtstaak.
De toezichthouder is bij de uitoefening van zijn toezichtsrechtelijke bevoegdheden gebonden aan het evenredigheidsbeginsel.1 Dat is hij ook wanneer hij gebruik maakt van contractuele bevoegdheden.2 Hieruit volgt dat hij zich in uitbestedingssituaties steeds moet richten tot “de meest geëigende partij”. Dat betekent dat hij zich in beginsel moet richten tot de uitbestedende partij. Soms is een uitzondering gerechtvaardigd. Zo kan de toezichthouder er om praktische redenen voor kiezen zich niet tot tientallen onder zijn toezicht staande uitbesteders te wenden, maar tot de enkele dienstverlener die voor hen gezamenlijk werkzaam is.3
Uit het evenredigheidsbeginsel volgt ook dat de toezichthouder de dienstverlener slechts in zijn onderzoek kan betrekken indien en voor zover dat voor de uitvoering van zijn wettelijke toezichtstaak nodig is.4 De toezichthouder kan geen (inzage in) informatie vorderen die voor de uitvoering van zijn wettelijke toezichtstaak niet nodig is. Informatie over bijvoorbeeld het klantenbestand van de dienstverlener kan daarom bedrijfsgeheim blijven. De toezichthouder die onderzoek doet naar transacties van één pensioenfonds, hoeft geen inzage te krijgen in de volledige administratie van de dienstverlener. Informatie over bijvoorbeeld de werkwijze bij het selecteren van beleggingen, de uitvoering van orders, het tegengaan van belangenverstrengelingen en over onderuitbesteding moet, indien verzocht, daarentegen wel worden verstrekt.
Naast het toezicht op pensioenfondsen en financiële ondernemingen, heeft DNB ook een wettelijke taak met betrekking tot bijvoorbeeld de financiële stabiliteit, het monetaire beleid en het betalingsverkeer.5 De contractueel te bedingen verplichting tot informatieverstrekking door de dienstverlener is echter niet opgenomen om DNB te bedienen in deze taken. Een verzoek van DNB aan de dienstverlener om informatie, niet ten behoeve van het toezicht op de uitbesteder en de uitbestede werkzaamheden, maar ten behoeve van zulke andere taken, levert détournement de pouvoir op.6 De dienstverlener mag dan ook weigeren zulke informatie te verstrekken, zou DNB daarom verzoeken.