Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/6
Hoofdstuk 6 Kenbaarmaking bezwaren
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS88342:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bartman, Dorresteijn en Olaerts, op. cit., p. 298. Winters houdt een slag om de arm; Vide B. Winters, in: Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, art. 2:349 BW, aant. C.1.9.
Hof Amsterdam (OK) 24 november 2008, JOR 2009/9, m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 2009/13, m.nt. S.M. Bartman, r.o. 3.17 (Fortis).
Vide in dat verband hof Amsterdam (OK) 24 november 2008, JOR 2009/9, m.nt. M.W. Josephus Jitta, Ondernemingsrecht 2009/13, m.nt. S.M. Bartman, r.o. 3.4, iuncto r.o. 3.1, en 3.7 (Fortis). Vide ook hof Amsterdam (OK) 10 september 2008, ARO 2008/155, r.o. 3.9 (Janssen). Vide voorts hof Amsterdam (OK) 6 juni 2011, JOR 2011/282, m.nt. J.M. Blanco Fernández, r.o. 3.27 (Synpact). Vanwege dit onderscheid is het mogelijk om (i) van tevoren bezwaren kenbaar te maken én (daarmee corresponderende of nauw samenhangende) bezwaren ten grondslag te leggen aan de stelling dat er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen, (ii) wél van tevoren bezwaren kenbaar te maken maar géén (daarmee corresponderende of nauw samenhangende) bezwaren ten grondslag te leggen aan, kort gezegd, de gegronde redenen-stelling, (iii) níét van tevoren bezwaren kenbaar te maken maar wél bezwaren (lees: argumenten) ten grondslag te leggen aan de gegronde redenen-stelling of (iv) van tevoren bezwaren kenbaar te maken noch bezwaren aan die stelling ten grondslag te leggen.
Vide naast de te bespreken jurisprudentie ook hof Amsterdam (OK) 6 juni 2003, ARO 2003/98, r.o. 3.1 (Mc Veldt); hof Amsterdam (OK) 27 december 2006, ARO 2007/4, r.o. 3.5 (Woudwood); hof Amsterdam (OK) 10 februari 2011, ARO 2011/33, r.o. 3.5 (MEI); hof Amsterdam (OK) 22 september 2016, ARO 2017/24, r.o. 3.2-3.3 (Blue). Vide bovendien hof Amsterdam (OK) 31 december 2002,ARO 2003/9, r.o. 2.9 en 3.1-3.2 (Kruisheer Elffers).
Hof Amsterdam (OK) 1 augustus 2002, ARO 2002/129, r.o. 3.1 (Mali Zevenaar).
Hof Amsterdam (OK) 25 mei 2005, ARO 2005/84, r.o. 3.1 (Florimarx).
Hof Amsterdam (OK) 21 juni 2005, ARO 2005/98, r.o. 3.1 (Knapen).
Hof Amsterdam (OK) 22 maart 2006, ARO 2006/70, Ondernemingsrecht 2006/145, m.nt. P.G.F.A. Geerts, r.o. 3.1 (Van Doorn).
Hof Amsterdam (OK) 28 februari 2007, ARO 2007/46, r.o. 3.1-3.2 (ITpreneurs).
Hof Amsterdam (OK) 29 april 2010, ARO 2010/72, r.o. 3.1-3.2 (Celco).
Hof Amsterdam (OK) 16 juli 2010, ARO 2010/112, r.o. 3.1 en 3.4 (Boon).
Hof Amsterdam (OK) 12 december 2013, ARO 2014/6, r.o. 3.1-3.2 (Three Ships).
Hof Amsterdam (OK) 11 november 2014, ARO 2015/18, r.o. 3.3-3.4 (Iszgro).
Hof Amsterdam (OK) 3 december 2014, ARO 2015/29, r.o. 3.2 en 3.4-3.6 (Phanos Reit).
Hof Amsterdam (OK) 7 juli 2015, ARO 2015/171, r.o. 3.3 (Phanos Reit).
De Ondernemingskamer sprak van ‘het bestuur van Phanos Reit c.s.’. Dat zij niet sprak van ‘besturen’ maar van ‘bestuur’, houdt (kennelijk) verband met het gebruik van ‘c.s.’.
Hof Amsterdam (OK) 16 juni 2015, ARO 2015/165, r.o. 3.6-3.7 (Clifden).
Hof Amsterdam (OK) 11 september 2015, ARO 2015/191, r.o. 3.3 (RTC).
Hof Amsterdam (OK) 17 december 2015, ARO 2016/7, r.o. 3.2-3.3 (4Apps).
Hof Amsterdam (OK) 12 mei 2017, ARO 2017/118, r.o. 3.3 (Sequoia).
Hof Amsterdam (OK) 27 november 2018, ARO 2019/29, r.o. 3.5 en 3.7 (JBNT).
Geerts 2006, op. cit., p. 15; P.G.F.A. Geerts, in: GS Rechtspersonen, art. 2:346 BW, aant. 5.7.
B. Winters, in: Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, art. 2:349 BW, aant. C.1.9. Volgens Winters ligt zulks in geval van een concern(genoten)enquête voor de hand.
Vide ook de conclusie, onder 2.15, van A-G Timmerman bij HR 4 februari 2005, NJ 2005/127, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2005/58, m.nt. F.J.P. van den Ingh, Ondernemingsrecht 2005/80, m.nt. S.J. Spanjaard, AA 2005/12, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers (Landis); Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/739.
M. Ziekman, ‘Landis-uitspraak gaat uit van economische werkelijkheid’, Advocatenblad 2005/8, p. 396.
Van Wijk 2009, op. cit., p. 15.
Vide Bartman 2005, op. cit., p. 556.
HR 4 februari 2005, NJ 2005/127, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2005/58, m.nt. F.J.P. van den Ingh,Ondernemingsrecht 2005/80, m.nt. S.J. Spanjaard, AA 2005/12, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, r.o. 3.3.5 (Landis).
Verderop merkte hij in Bartman 2005, l.s.c. het volgende op: ‘Een andere vraag is natuurlijk of het voor een verzoeker niet verstandig zou zijn om ook op dochterniveau tijdig van zijn bezwaren te doen blijken. Zeker waar er twijfels zijn over de feitelijke manoeuvreerruimte van het dochterbestuur is dit aan te bevelen.’
In deze paragraaf staat de vraag centraal of de indiener van het verzoek tot het gelasten van een concerngenotenenquête – op straffe van niet-ontvankelijkheid – van tevoren zijn bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken aan de respectieve besturen en raden van commissarissen, zo die er zijn, van alle in die enquête te betrekken vennootschappen kenbaar moet hebben gemaakt, een en ander uit hoofde van art. 2:349, eerste lid, eerste volzin, BW.
Volgens Bartman, Dorresteijn en Olaerts heeft de Ondernemingskamer deze vraag in haar Fortis-beschikking beantwoord, en wel in bevestigende zin.1 In die beschikking overwoog zij dat het te bevelen onderzoek enkel Fortis N.V. zou betreffen nu tegen het beleid en de gang van zaken van andere vennootschappen dan deze geen bezwaren waren geuit.2 Hoewel de Ondernemingskamer in dit verband art. 2:349, eerste lid, eerste volzin, BW niet (met zoveel woorden) noemde, lijkt uit de voornoemde beschikking te kunnen worden afgeleid dat zij inderdaad van oordeel is dat de bezwaren (van tevoren) aan alle in de enquête te betrekken groepsmaatschappijen kenbaar moeten zijn gemaakt. Immers, met ‘bezwaren’ kan worden gedoeld op de bezwaren in het kader van het zo-even genoemde artikel (de bezwarenbrief) of op de bezwaren in het kader van art. 278, eerste lid, eerste volzin, Rv iunctoart. 2:350, eerste lid, BW (de onderbouwing van de gegronde redenenstelling in het verzoekschrift).3 De Ondernemingskamer sprak van bezwaren tegen het beleid én de ‘gang van zaken’. Ten tijde van het geven van de onderhavige beschikking kwamen die woorden echter (nog) niet voor in art. 2:350, eerste lid, BW. Zij sprak dan ook louter van gegronde redenen om te twijfelen aan de juistheid van het ‘beleid’ van Fortis N.V. (Vide r.o. 3.7, 3.14 en 3.15). In art. 2:349, eerste lid, eerste volzin, BW stonden (en staan) de woorden ‘gang van zaken’ wél. Dit sluit aan bij de gedachte dat met ‘bezwaren’ de Ondernemingskamer doelde op de bezwaren als daarin bedoeld.
Andere jurisprudentie van de Ondernemingskamer werpt ook licht op de hierboven aan de orde gestelde vraag.4 Ik wijs in dat verband op de Mali Zevenaar- beschikking,5 waarin door de gerekestreerde concerngenoten het verweer werd gevoerd dat de verzoeker in zijn verzoek niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat hij zijn bezwaren niet conform art. 2:349, eerste lid, eerste volzin, BW ‘aan alle [curs. RPJ] betrokken vennootschappen’ kenbaar had gemaakt. De Ondernemingskamer verwierp dit verweer op, onder andere, de grond dat de bezwaren in een brief door middel van een afschrift daarvan ook aan het bestuur van de gerekestreerde concerngenoten kenbaar waren gemaakt.
Daarnaast zij gewezen op de Florimarx-beschikking,6 waarin werd aangevoerd dat de verzoekster haar bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken van de gerekestreerde concerngenoten niet op de voet van art. 2:349, eerste lid, eerste volzin, BW aan het bestuur van deze had kenbaar gemaakt. Dit verweer faalde, nu naar het oordeel van de Ondernemingskamer uit de in gang gezette bemiddelingspoging alsmede uit de uitgebrachte dagvaarding in een geschillenprocedure op voldoende duidelijke wijze kon worden opgemaakt welke bezwaren de verzoekster tegen het beleid en de gang van zaken van de gerekestreerde concerngenoten had.
Tevens is noemenswaardig de Knapen-beschikking,7 waarin ook een op art. 2:349, eerste lid, eerste volzin, BW gebaseerd niet-ontvankelijkheidsverweer werd gevoerd, houdende dat de bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken van de concerngenoten niet, althans niet voldoende, van tevoren schriftelijk kenbaar waren gemaakt en hen geen, althans onvoldoende, gelegenheid was gegeven die bezwaren te onderzoeken en naar aanleiding daarvan maatregelen te nemen. Dit verweer strandde, aangezien volgens de Ondernemingskamer de tussen betrokkenen in die zaak gerezen verschillen van inzicht onderwerp waren van een briefwisseling en inzet waren geweest van een kort geding alsmede waren zij niet meer oplosbaar, op welke wijze er voldaan was aan de ratio van het hierboven genoemde artikel en de concerngenoten zich door het onderhavige verzoek niet overvallen hadden kunnen voelen.
Voorts is vermeldenswaardig de Van Doorn-beschikking,8 waarin, onder andere, de verwerende dochtermaatschappij aanvoerde dat de verzoekster in haar verzoek, voor zover dat haar betrof, niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat zij niet had voldaan aan het bepaalde in art. 2:349, eerste lid, eerste volzin, BW. De Ondernemingskamer volgde haar niet in dat betoog. Zo moest het die dochtermaatschappij uit de vele toentertijd aanhangige procedures volstrekt duidelijk zijn geweest welke bezwaren er tegen de verkoop van bepaalde dochtermaatschappijen bestonden.
Bovendien mag niet onbesproken blijven de ITpreneurs-beschikking,9 waarin, onder andere, de verwerende concerngenoten een op art. 2:349, eerste lid, eerste volzin, BW gebaseerd niet-ontvankelijkheidsverweer opwierpen, houdende, onder andere, dat de verzoekster haar bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken van hen niet van tevoren schriftelijk kenbaar had gemaakt, althans dat zij haar bezwaren niet, zoals vereist, specifiek aan de respectieve concerngenoten had gericht. Dit verweer werd door de Ondernemingskamer verworpen, onder andere omdat in het licht van de inhoud van brieven, besprekingen en geuite onvrede het voor de verweersters duidelijk moest zijn geweest dat en welke bezwaren bij de verzoekster tegen het beleid en de gang van zaken van hen bestonden. Wat betreft de stelling van de concerngenoten, indien al juist, dat onvoldoende duidelijk was welke bezwaren zich specifiek richtten tegen de ene verweerster en welke bezwaren zich specifiek richtten tegen de andere verweerster, merkte de Ondernemingskamer op dat, gelet op de verwevenheid van de vennootschappen in het desbetreffende concern en de diverse posities van bepaalde personen daarin, die stelling niet afdeed aan het falen van het vorenbedoelde verweer, te minder nu een van de bezwaren van de verzoekster juist was de door de verweersters veroorzaakte onduidelijkheid van haar respectieve posities in het evenbedoelde concern.
Verder breng ik onder de aandacht de Celco-beschikking,10 waarin de verwerende concerngenoten betoogden dat de verzoeker niet in zijn verzoek kon worden ontvangen nu hij zijn bezwaren tegen hun beleid en gang van zaken niet van tevoren kenbaar had gemaakt. Volgens de Ondernemingskamer ging zulks niet op, aangezien de verzoeker bij een bepaalde brief aan de enig bestuurder van de gerekestreerde moedermaatschappij – die, op haar beurt, het bestuur van haar gerekestreerde dochtermaatschappij vormde – zijn bezwaren tegen bepaalde aspecten van het beleid en de gang van zaken van de gerekestreerde concerngenoten had kenbaar gemaakt.
Eveneens interessant is de Boon-beschikking,11 waarin door de verwerende concerngenoten werd aangevoerd dat de verzoekster niet in haar verzoek kon worden ontvangen vanwege het niet in acht hebben genomen van het bepaalde in art. 2:349, eerste lid, eerste volzin, BW nu zij nimmer concrete bezwaren tegen hun beleid of gang van zaken had kenbaar gemaakt en dat zij dus evenmin in de gelegenheid waren gesteld aan eventuele bezwaren tegemoet te komen. De Ondernemingskamer ging daar niet in mee, omdat naar haar oordeel, gelet op een bepaalde brief en de daaraan voorafgaande communicatie tussen partijen, niet kon worden volgehouden dat de verweersters niet voldoende met de bezwaren van de verzoekster bekend waren en dat deze ruim een maand later niet redelijkerwijs mocht veronderstellen dat zij niet in haar bezwaren tegemoet zou worden gekomen. Voorts overwoog zij dat die brief weliswaar niet mede aan een van de gerekestreerden was geadresseerd, maar dat haar bestuurder, mede gezien de materiële personele unie tussen de besturen van de respectieve gerekestreerde concerngenoten, geacht moest worden feitelijk van die bezwaren tegen haar beleid had kennisgenomen.
Daarenboven is belangwekkend de Three Ships-beschikking,12 waarin twee belanghebbenden een art. 2:349, eerste lid, eerste volzin, BW-verweer opwierpen, houdende dat de in het verzoekschrift verwoorde bezwaren reeds door het bestuur waren geadresseerd en dat partijen in overleg waren over te nemen maatregelen, waarvan een redelijke termijn nog niet was verstreken. De Ondernemingskamer stelde te dier zake voorop dat dit verweer slechts toekwam aan de verweersters. Nu het door hen niet was gevoerd, liep het bovenbedoelde verweer reeds daarop vast. Ten overvloede overwoog de Ondernemingskamer dat niet aannemelijk kon worden geacht dat voor bepaalde kwesties binnen een afzienbare tijd orde op zaken kon worden gesteld en dat niet gezegd kon worden dat de verwerende concerngenoten tegemoet waren gekomen aan de bezwaren van verzoeksters en dat zij daarom in hun verzoek niet-ontvankelijk waren.
Buitendien mag niet onvermeld blijven de Iszgro-beschikking,13 waarin de Ondernemingskamer overwoog dat voor zover de gerekestreerden zich erop beriepen dat de verzoeksters niet van tevoren hun bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken aan het bestuur hadden kenbaar gemaakt zodat zij niet in hun verzoek konden worden ontvangen, zij hen daarin niet volgde, aangezien de Ondernemingskamer van oordeel was dat de verzoeksters hun (belangrijkste) bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken van de verwerende concerngenoten in een bepaalde algemene vergadering op voldoende wijze kenbaar hadden gemaakt, een en ander overeenkomstig art. 2:349, eerste lid, eerste volzin, BW.
Ook vestig ik de aandacht op de Phanos Reit-beschikking,14 waarin de verwerende vennootschappen (Vide infra) aanvoerden dat de verzoekers niet in hun verzoek, om een onderzoek bij, kort gezegd, Phanos Reit, Phanos Fund I en Phanos Fund II, konden worden ontvangen omdat zij hadden nagelaten op de voet van het bovenvermelde artikel hun bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken van tevoren schriftelijk aan het bestuur kenbaar te maken. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer trof dit verweer doel, nu niet viel in te zien hoe het bestuur van de respectieve verweersters uit bepaalde correspondentie kon of had moeten begrijpen dat het hier ging om bezwaren tegen het gevoerde beleid. Eerst uit het verzoekschrift bleek dat de verzoekers het ontbreken van (gevraagde) informatie hadden aangevoerd als bezwaar tegen het beleid en de gang van zaken van de hier bedoelde vennootschappen, waardoor zij hen de gelegenheid hadden ontnomen maatregelen te treffen ter opheffing van dat bezwaar. Toen de enquêtezaak opnieuw werd aangebracht15 werd wederom naar voren gebracht dat de verzoekers niet in hun verzoek konden worden ontvangen vanwege het hebben nagelaten van tevoren tegen het beleid en de gang van zaken van de verweersters schriftelijk hun bezwaren aan – naar ik begrijp: de besturen –16van die vennootschappen kenbaar te maken. Ditmaal echter vruchteloos. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer hadden de besturen van de enquêtesubjecten namelijk uit een bepaalde brief kunnen of moeten begrijpen dat het hier ging om bezwaren tegen het door die vennootschappen gevoerde beleid. Volgens haar kon niet gezegd worden dat de verweersters onvoldoende bekend waren met de bezwaren en/of onvoldoende tijd was gegund deze te onderzoeken en naar aanleiding daarvan maatregelen te nemen.
In de Clifden-beschikking werd het verweer gevoerd dat de verzoeker niet in zijn op een dochter- en kleindochtermaatschappij van de vennootschap in wier geplaatste kapitaal hij aandelen hield kon worden ontvangen omdat hij tegen hun beleid en gang van zaken geen bezwaren kenbaar had gemaakt, welk verweer door de Ondernemingskamer werd verworpen, aangezien moest worden aangenomen dat de verweersters de bezwaren redelijkerwijs niet anders konden opvatten dan gericht tegen het beleid van zowel Clifden als van Rand en Tuindorp, dit in het licht hiervan dat Clifden enig aandeelhouder van Rand was en deze enig aandeelhouder van Tuindorp was en er tussen hun besturen een volledige personele unie bestond, tegen welke achtergrond niet voldoende was weersproken dat er bij Rand en Tuindorp geen sprake was van enig ten opzichte van Clifden zelfstandig bepaald en gevoerd bestuursbeleid, waardoor het beleid en de gang van zaken van Rand en Tuindorp de belangen van de verzoeker als aandeelhouder van Clifden evenzeer en op gelijke wijze raakte als het beleid en de gang van zaken van Clifden zelf, reden waarom de verzoeker mede enquêtegerechtigd was ten aanzien van Rand en Tuindorp, alsmede in aanmerking nemende de door de verzoeker voorafgaand aan de enquêteprocedure geuite bezwaren.17
Evenmin trof het op art. 2:349, eerste lid, BW gestoelde verweer doel in de RTC- beschikking,18 waarin de verweersters, RTC en RTC Franchise, erover klaagden dat de verzoekers niet (i) inhoudelijk hadden gereageerd op hun schriftelijke reactie op de bezwarenbrief, (ii) bereid waren gebleken over hun bezwaren overleg te voeren met het bestuur van RTC en van RTC Franchise; en (iii) hun bezwaren hadden voorgelegd aan de algemene vergadering (van aandeelhouders). Naar het oordeel van de Ondernemingskamer hadden de verzoekers namelijk hun bezwaren voldoende kenbaar gemaakt en waren zij, gegeven de afwijzende reactie van RTC en RTC Franchise op hun bezwarenbrief, niet gehouden – op straffe van niet-ontvankelijkheid – tot nader overleg en evenmin om hun bezwaren te doen agenderen op een aandeelhoudersvergadering.
Vruchteloos was ook het art. 2:349 BW-verweer in de 4Apps-beschikking.19 De Ondernemingskamer oordeelde, voor zover hier van belang, dat de bezwaren van de verzoeksters al eerder mondeling veelvuldig waren geuit en de (bezwaren)e-mail moest ook om die reden voor de ‘verweersters’ duidelijk zijn geweest.
Aan deze lijst van uitspraken kan worden toegevoegd de Sequoia-beschikking.20 Daarin werd het verweer gevoerd dat de verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek was nu zij haar bezwaren niet schriftelijk van tevoren kenbaar had gemaakt aan Sequoia en haar dochtervennootschappen. Niettemin tevergeefs; de Ondernemingskamer overwoog namelijk dienaangaande dat in e-mails en brieven, in een notitie en in diverse procedures tussen partijen de in de onderhavige procedure geuite bezwaren voldoende kenbaar waren gemaakt aan de evenbedoelde vennootschappen.
Tot slot noem ik de JBNT-beschikking.21 In deze zaak voerden ‘Alpha c.s.’, de onderliggende te enquêteren vennootschappen, schending van het bepaalde in art. 2:349, eerste lid, eerste volzin, BW aan; niet-ontvankelijkheid moest volgen. De enquêteverzoekster betoogde daarentegen dat een bepaalde brief en e-mail dienden te worden aangemerkt als een art. 2:349, eerste lid, BW-brief, dit echter zonder succes, aangezien naar het oordeel van de Ondernemingskamer die stukken niet konden worden gekwalificeerd als het kenbaar maken van bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken van de vorenbedoelde verweersters; die stukken waren immers gericht aan de echtscheidingsadvocaat van een belanghebbende ‘en niet gericht of geadresseerd aan het bestuur van Alpha c.s. en bevatten geen bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken van Alpha c.s.’. Mede gelet hierop, volgde niet-ontvankelijkheid.
Mij is geen beschikking bekend waarin de Ondernemingskamer met zoveel woorden heeft overwogen dat de verzoeker – op straffe van niet-ontvankelijkheid – van tevoren zijn bezwaren tegen het beleid en/of de gang van zaken van alle in de concerngenotenenquête te betrekken vennootschappen (schriftelijk) kenbaar moet hebben gemaakt (lijn één), noch is mij een beschikking bekend waarin zij uitdrukkelijk heeft overwogen dat de verzoeker kan volstaan met de kenbaarmaking van bezwaren tegen het beleid en/of de gang van zaken van de bovenliggende vennootschap (i.e. de topvennootschap), waarvan hij aandeel- of certificaathouder is (lijn twee). Niettemin kan uit de hiervoor besproken jurisprudentie, in onderling verband en samenhang beschouwd, worden afgeleid dat de Ondernemingskamer op de eerstbedoelde lijn zit; zij ging daarin immers na een op art. 2:349, eerste lid, BW gegrond verweer van (mede) een of meer onderliggende te enquêteren vennootschappen na of de bezwaren inderdaad niet conform dat artikel te hunnen aanzien kenbaar waren gemaakt, het welk niet in de rede zou liggen indien zij op de laatstbedoelde lijn zou zitten.
Bovendien maak ik uit die jurisprudentie op dat, in geval van een concerngenotenenquête, er weliswaar tegen het beleid en/of gang van zaken van (mede) de onderliggende vennootschap bezwaren dienen te bestaan, maar zij niet noodzakelijkerwijs aan háár bestuur en, zo die er is, háár raad van commissarissen kenbaar behoeven te worden gemaakt als er sprake is van een, al dan niet materiële, personele unie; in dat geval zouden die bezwaren ook – zonder in strijd te komen met art. 2:349, eerste lid, BW – aan het bestuur en, zo die er is, de raad van commissarissen van de bovenliggende vennootschap kenbaar kunnen worden gemaakt. Waar het, als ik de Ondernemingskamer goed begrijp, om gaat is dat, kort gezegd, de eerstbedoelde vennootschap, al dan niet de facto, van die bezwaren op de hoogte is gebracht, of geacht moet worden daarvan (feitelijk) kennis te hebben genomen. Het is aan de enquêtesubjecten om in geval van schending van voormeld artikel een exceptie van niet- ontvankelijkheid op te werpen.
Overigens sta ik nog stil bij de opinies in de literatuur. Geerts22 en Winters23 zijn van mening dat de bezwaren aan alle in de concern(genoten)enquête te betrekken vennootschappen kenbaar moeten worden gemaakt.24 Op die lijn zit ook Ziekman, die de mening huldigt dat de bezwaren mede aan de besturen en, zo die er zijn, aan de raden van commissarissen van de in de enquête te betrekken dochtermaatschappijen moeten worden geuit.25 Volgens Van Wijk hoeft de verzoeker geen ‘separate’ bezwaren tegen het beleid en de gang van zaken van een dochtermaatschappij te uiten, met dien verstande dat binnen haar geen sprake is van enig ten opzichte van haar moedermaatschappij zelfstandig bepaald en gevoerd bestuursbeleid.26 Bartman is de volgende mening toegedaan.27 Naar zijn mening is, gelet op in ’s Hogen Raads Landis-beschikking voorkomende zinsnede ‘dat binnen de dochtermaatschappijen geen sprake was van enig ten opzichte van de moedermaatschappij zelfstandig bepaald en gevoerd bestuursbeleid’,28 het van tevoren aan de organen van de dochtermaatschappijen kenbaar maken van bezwaren een ‘betekenisloze geste’, nu zij niet in staat zijn zelfstandig die bezwaren te onderzoeken en, desmogelijk, naar aanleiding daarvan maatregelen te nemen, waarmee tevens de ratio voor een ‘afzonderlijke’ kennisgeving van die bezwaren ontvalt. Het van tevoren kenbaar maken van de bezwaren aan het bestuur en aan de raad van commissarissen, zo die er is, van de moedermaatschappij volstaat daarom, aldus Bartman.29
Er zij vooropgesteld dat, als ik dat goed zie, in zijn betoog – terecht – niet ter discussie staat dat (ook) in de hogergenoemde situatie zowel tegen het beleid of de gang van zaken van een moedermaatschappij als tegen het beleid of de gang van zaken van haar dochtermaatschappij al dan niet verschillende bezwaren kunnen bestaan en dát die bezwaren van tevoren kenbaar moeten worden gemaakt, nu dat het systeem van de huidige – aan de enkelvoudige vennootschap vastgeknoopte – enquêteregeling is en een concernrelatie tussen twee enquêtesubjecten dat niet anders maakt; zonder eigen regeling, die ontbreekt, moet een (in te dienen) concerngenoten-enquêteverzoek zoveel mogelijk volgens de thans vigerende spelregels van afdeling 2 van titel 8 van Boek 2 BW worden behandeld en bijgevolg juridisch worden gezien als op separate vennootschappen gerichte (te richten) verzoeken. Wél staat daarin ter discussie de vraag aan wíé die bezwaren van tevoren kenbaar moeten worden gemaakt: enkel aan het bestuur en, zo die er is, de raad van commissarissen van eerstgenoemde of – mede – (apart) aan het bestuur en, zo die er is, de raad van commissarissen van laatstgenoemde? Bartman en Van Wijk kiezen (kennelijk) voor de eerste optie, terwijl Geerts, Winters en Ziekman (kennelijk) voor de tweede optie kiezen.
Mijns inziens beantwoorden beide opties aan het doel en de strekking van art. 2:349, eerste lid, eerste volzin, BW. Enerzijds bestaat er geen enkel bezwaar tegen om, al dan niet zekerheidshalve, ook van tevoren bezwaren kenbaar te maken aan het bestuur en, zo die er is, de raad van commissarissen van de dochtermaatschappij, temeer wanneer er een of meer bestuurders van de (mede) te enquêteren dochtermaatschappij niet eveneens in het bestuur van de te enquêteren moedermaatschappij zitten. Anderzijds brengt een redelijke en op de praktijk toegesneden wetstoepassing mee dat indien er binnen een dochtermaatschappij geen sprake is van enig ten opzichte van de moedermaatschappij zelfstandig bepaald en gevoerd bestuursbeleid, waarvan, in ieder geval, sprake is als de besturen van de moedermaatschappij en haar 100%-dochtermaatschappij een (vrijwel) volledige personele unie vormen, dat liet de Hoge Raad namelijk voorafgaan aan de hierboven door Bartman aangehaalde zinsnede, er volstaan kan worden met het van tevoren kenbaar maken van de bezwaren tegen het beleid van eerstgenoemde aan het bestuur en, zo die er is, de raad van commissarissen van laatstgenoemde, nu in een dergelijke situatie zulk een beleidsautonomieloze (of ruimer: bestuursautonomieloze) dochtermaatschappij feitelijk kan worden beschouwd als een verlengstuk van haar moedermaatschappij. Het enige verschil hiertussen is dat in de ene situatie de dochtermaatschappij de iure (et de facto) van de bezwaren op de hoogte is gebracht, terwijl in de andere situatie zij daar de facto van op de hoogte is gebracht. Beide situaties beantwoorden, zoals gezegd, aan het doel en de strekking van art. 2:349, eerste lid, eerste volzin, BW en sluiten aan bij de OK-rechtspraak.
Ik rond af. Het antwoord op de vraag of de indiener van het verzoek tot het gelasten van een concerngenotenenquête – op straffe van niet-ontvankelijkheid – van tevoren zijn bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken aan de respectieve besturen en raden van commissarissen, zo die er zijn, van alle in die enquête te betrekken vennootschappen kenbaar moet hebben gemaakt, een en ander uit hoofde van art. 2:349, eerste lid, eerste volzin, BW, dient in het licht van de rechtspraak van de Ondernemingskamer bevestigend te luiden, waarbij ik mij haast om aan te tekenen dat die verzoeker weliswaar zijn bezwaren mede van tevoren aan de te enquêteren onderliggende vennootschap(pen) kenbaar moet maken, maar dat zulks niet noodzakelijkerwijs in strikt juridische zin aan hun evenbedoelde organen behoeft te worden gedaan als de (bestuurder(s) van de) bovenliggende vennootschap (tevens) bestuurder(s) van haar onderliggende vennootschap(pen) is (zijn), in welk geval volstaan zou kunnen worden met het kenbaar maken van die bezwaren aan (het bestuur van) die bovenliggende vennootschap, aangezien (het bestuur van) die onderliggende vennootschap alsdan de facto van de tegen haar beleid of gang van zaken levende bezwaren op de hoogte is gebracht dan wel geacht kan worden daarvan op de hoogte te zijn.