Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/3.5.2
3.5.2 De modale consument
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS415781:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 19 juli 2012, nr. C-44/11, V-N 2012/42.15, r.o. 25 (Deutsche Bank).
HvJ EU 11 september 2014, nr. C-219/13, V-N 2014/47.19, r.o. 30 (K Oy).
Zie ook J.Th. Sanders, commentaar bij HvJ EU 19 juli 2012, nr. C-44/11, NTFR 2012/1888 (Deutsche Bank).
Ik realiseer me dat het belang van deze en vergelijkbare vragen niet moet worden gebagatelliseerd, in het bijzonder met het oog op een gelijk Europees speelveld voor marktdeelnemers, en het voorkomen van concurrentieverstoringen in dat verband. Dit neemt niet weg dat de verwijzende rechter had kunnen zien aankomen dat het Hof van Justitie de ‘hete aardappel’ zou teruggeven in een verpakking van reeds lang bekende criteria. Zie in verband met de Europese markt voor e-boeken en normale boeken ook HvJ EU 5 maart 2015, nr. C-502/13, V-N 2015/15.10 (Commissie/Luxemburg) en HvJ EU 5 maart 2015, nr. C-479/13, V-N 2015/15.11 (Commissie/Frankrijk).
Zie ook J.Th. Sanders, commentaar bij HvJ EU 17 januari 2013, nr. C-224/11, NTFR 2013/278 (BGZ Leasing). Hij vat het oordeel van het Hof van Justitie in de zaak BGZ Leasing treffend samen als: “Beste verwijzende rechter: het kan vriezen en het kan dooien. U bent dus niet veel wijzer geworden, behalve dat u weet dat u het zelf moet oplossen.” Door in dit soort zaken niet eerder bij beschikking af te doen, stimuleert het Hof van Justitie dit soort vragen slechts, zie in dit verband P. Graig en G. de Búrca (red.), The evolution of EU law, Oxford: Oxford University Press 2011, blz. 373.
Zie bijvoorbeeld de rechtsoverwegingen 30 tot en met 34 in het arrest K Oy in dit kader.
Zie J. Komárek, ‘In the Court(s) We Trust? On the Need for Hierarchy and Differentiation in the Preliminary Ruling Procedure’, EU Law Review 2007/32. Vergelijk in dit verband de hoeveelheid zaken die door de Nederlandse Hoge Raad met een beroep op artikel 81 RO terzijde wordt geschoven, of het zeer beperkte aantal zaken dat door het Supreme Court in de Verenigde Staten überhaupt in behandeling wordt genomen.
Uit de rechtspraak rond samengestelde leveringen en diensten is ook de figuur van de modale consument verrezen. Immers, de vraag of sprake is van één of meerdere leveringen en/of diensten dient uit het oogpunt van de modale consument te worden bepaald. Deze consument verschijnt echter in verschillende gedaanten. Als het gaat om individueel discretionair vermogensbeheer is plots sprake van ‘de gemiddelde belegger’.1 Wanneer het gaat om e-boeken blijkt dat de modale consument per land kan verschillen.2 Daarenboven, zijn de gemiddelde en de modale consument niet reeds te onderscheiden begrippen?3
Het Hof van Justitie lijkt de modale consument in zijn verschillende verschijningsvormen tamelijk laconiek in te zetten teneinde aan te geven dat de verwijzende rechter is aangewezen op een toets van de verkeersopvatting. Het naast en door elkaar gebruiken van de diverse begrippen is echter een risico, aangezien het vragen op kan roepen over de overeenkomsten en verschillen tussen de diverse figuren. Kritiek is dan ook mogelijk op de schijnbare onzorgvuldigheid die het Hof van Justitie op dit en vergelijkbare punten laat zien. In veel gevallen is de klacht dat niet steeds duidelijk is wat de ratio decidendi is en wat obiter dicta of feitelijke handreikingen zijn.
Aan de andere kant moet begrip worden opgebracht voor de hiervoor reeds omschreven pogingen van het Hof van Justitie om de verwijzende rechter op weg te helpen in kwesties waarin geen of minder grootse principes op het spel staan. En daarbij: soms vraagt men zich af welk antwoord een verwijzende rechter nu eigenlijk verwacht. Moet het Hof van Justitie nu werkelijk uitmaken of in Finland een tariefonderscheid dient te worden gemaakt tussen e-boeken op gegevensdragers en traditionele boeken?4 Je ziet de modale consument in een dergelijk geval al van verre aankomen, evenals het antwoord: de nationale rechter moet het zelf bepalen aan de hand van een aantal reeds lang bekende en anderszins voor de hand liggende handvatten.5 Onduidelijkheid ontstaat dáár waar het Hof van Justitie ten overvloede probeert de nationale rechter op het juiste pad te helpen.6 De kwaliteit van het antwoord hangt samen met de kwaliteit van de vraag.
Daarbij kan de vraag worden opgeworpen of het Hof van Justitie niet vaker zaken af zou moeten doen bij beschikking. Het Hof van Justitie is daarmee terughoudend, vermoedelijk uit angst voor zijn (externe) legitimatie als opperrechter in het onvolwassen Unierecht en de drang naar grotere uniformiteit. Het vergt institutioneel zelfvertrouwen om vragen onbeantwoord te laten.7