Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/4.4.1
4.4.1 Het pleitbare standpunt als verweer tegen het bewijs van het subjectieve bestanddeel
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS565018:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
L.J.J. Rogier, ‘De toetsing van bestuursbesluiten door de strafrechter’, DD 2011/81, p. 1148-1151.
Het is overigens niet uitgesloten dat de belastingrechter later oordeelt dat de belastingheffing of -betaling wel onjuist is geweest. Vergelijk bijvoorbeeld HR (strafkamer) 19 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8984 en ECLI:NL:HR:2006:AY8985 met HR (belastingkamer) 30 maart 2007, BNB 2007/242, ECLI:NL:HR:2007:BA1792.
Primair kan het verweer worden gevoerd dat niet is bewezen dat de aangifte onjuist is, subsidiair dat het opzet ontbreekt omdat de aangifte weliswaar onjuist is, maar is gebaseerd op een pleitbaar standpunt. Zie Hof ’s-Hertogenbosch 4 maart 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BH5081: “Door de raadsman is (…) betoogd dat bij het doen van de tenlastegelegde aangiften sprake is van een pleitbaar standpunt. Het Hof zal die verweren beoordelen op grond van wat de verdachte ten laste is gelegd. Dat betekent dat de verweren hierna worden besproken bij de vraag of de aangiften onjuist of opzettelijk onjuist zijn gedaan, dan wel bij de vraag of aan het strekkingsvereiste is voldaan.” W. de Vries, ‘Pleitbaar standpunt vereist nog meer zorgvuldigheid’, Accountancynieuws 2012/20, p. 32, adviseert het verweer op deze wijze te voeren. Zo ook R.W.J. Kerckhoffs, ‘Recente ontwikkelingen rondom het pleitbare standpunt’, in: I. Leenders (red.), Terugblik op de toekomst, Breda 2013, p. 33.
M.W.C. Feteris in zijn noot onder BNB 2004/75 onder 7; De Vries 2012, p. 32; J.W. Ilsink, ‘Enkele gedachten over het fiscale pleitbare standpunt in strafzaken’, in: L.J.A. Pieterse (red.), Draaicirkels van formeel belastingrecht, Amersfoort: Sdu 2009, p. 208-209; A-G Wattel, conclusie van 25 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:897, r.o. 9.31.
Vergelijk Hof ’s-Hertogenbosch 4 maart 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BH5081.
Anders: Kerckhoffs 2013, p. 33-34.
Hof Amsterdam 25 november 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AN9010, r.o. 16; Rb. Oost-Brabant 13 augustus 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:4422.
In de fiscale strafprocedure beoordeelt de strafrechter of de bestanddelen van de delictsomschrijving (de onjuiste aangifte, het subjectieve bestanddeel oftewel het opzet en het gevolgbestanddeel) wettig en overtuigend zijn bewezen. De strafrechter heeft daarbij een eigen bevoegdheid om te beoordelen of de belastingaangifte onjuist is.1 Met name als de belastingrechter zich nog niet, of nog niet in laatste instantie, over de belastingheffing of -betaling heeft uitgelaten, is het denkbaar dat de strafrechter op grond van het verweer van de verdachte dat de door hem gevolgde interpretatie of toepassing van het belastingrecht juist was, niet overtuigd raakt van de onjuistheid van de aangifte.2
In een dergelijke situatie heeft de verdachte in de strafzaak bestreden dat zijn aangifte onjuist is. Hij heeft derhalve niet gesteld dat zijn aangifte weliswaar onjuist is, maar is gebaseerd op een pleitbare interpretatie of toepassing van het belastingrecht. Het pleitbaar standpunt verweer vormt geen verweer tegen het bewijs dat de aangifte onjuist is, maar kan pas aan de orde komen nadat is vastgesteld dat de aangifte onjuist is.3
Het pleitbaar standpunt verweer zou wel een verweer kunnen vormen tegen het bewijs van het gevolgbestanddeel. Dit verweer houdt dan in dat het pleitbare standpunt er niet toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.4 Naar mijn mening heeft een dergelijk verweer weinig kans van slagen.5 Zoals in het vorige hoofdstuk in paragraaf 3.5.2 is uiteengezet, is een onjuiste aangifte per definitie geschikt om onjuiste belastingheffing te veroorzaken. Het maakt daarbij niet uit of de aangifte, zoals bij een pleitbaar standpunt het geval is, onjuist is als gevolg van pleitbare interpretatie of toepassing van het belastingrecht of niet.6
De strafkamer van de Hoge Raad lijkt het pleitbaar standpunt verweer te beschouwen als een verweer dat is gericht tegen het bewijs van het opzet. Door de strafrechter in feitelijke instantie is het beroep op een pleitbaar standpunt in veruit de meeste zaken ook behandeld als een verweer dat is gericht tegen het bewijs van het opzet. Dit impliceert, zoals in het vorige hoofdstuk in paragraaf 3.4.3.5.2 uiteengezet, dat het opzet op de onjuiste interpretatie of toepassing van het belastingrecht moet zien. Als het opzet daar niet op zou hoeven zien, zou het voor de vaststelling van het opzet immers ook niet relevant zijn of de verdachte belastingplichtige wist of meende te weten dat de door hem gevolgde interpretatie of toepassing van het recht pleitbaar was. Incidenteel is het pleitbaar standpunt verweer door de strafrechter in feitelijke instantie mede behandeld als een beroep op rechtsdwaling.7 Hierop wordt in paragraaf 4.4.2.3 teruggekomen.