Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/7.2
7.2 De ratio van verjaring
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS487928:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie tevens: A.C. van Schaick, Rechtsgevolgen en functies van bezit en houderschap, Deventer: Kluwer 2014, p. 123; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/536, Snijders & Rank-Berenschot 2012, Goederenrecht, nr. 256; J.E. Jansen, Bezit te kwader trouw, verkrijgende en bevrijdende verjaring (diss. Groningen), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2011, p. 232 en J.B. Spath, Zaaksvervanging (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2010, p. 187.
Vgl. P.C. van Es, Verkrijging door verjaring, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2011, p. 14.
De praktische betekenis van verkrijging door verjaring is vooral gelegen in de verkrijging van goederenrechtelijke rechten op onroerende zaken. Zie P.C. van Es, Verkrijging door verjaring, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2011, p. 14. Onder het Oud BW was het overigens niet mogelijk om roerende zaken door verjaring te verkrijgen, zie hierover uitgebreid: J.E. Jansen, Bezit te kwader trouw, verkrijgende en bevrijdende verjaring (diss. Groningen), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2011, p. 253 e.v.
HR 5 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6588.
Zie S.E. Bartels, ‘Erfdienstbaarheid door verjaring’, AA 2010, afl. 9, p. 596-600.
Hiervan dient onderscheiden te worden de situatie dat partijen een onroerende zaak overdragen buiten de notaris om. Het Hof Arnhem oordeelde dat wanneer de overdracht van een onroerende zaak geschiedt buiten de notaris om, er nimmer sprake kan zijn van bezit, maar dat de gebruiker die ruim dertig jaar de grond in (exclusief) gebruik had en zich ten aanzien van de grond als eigenaar gedroeg toch als houder te kwalificeren was. Zie Hof Arnhem 10 juni 2003, NJ 2004/155. Zie voor een bespreking van dit arrest: J.E. Jansen, ‘Enkele opmerkingen over leveringen bezitsverschaffing van onroerende zaken’, RM Themis 2008, afl. 1, p. 1-7. Zie voor een geval waarin de Hoge Raad oordeelde dat de koper krachtens rechtsverhouding vooruitlopende op levering van het verkochte zich de feitelijke macht verschafte en naar verkeersopvatting als bezitter diende te gelden: HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5989, NJ 2012/312, m.nt. F.M.J. Verstijlen; J.E. Jansen, ‘Bezitsverschaffing naast levering van registergoederen?’, NTBR 2012/4 en Asser/ Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/114.
Van Vliet voegt hier nog twee zeer hypothetische situaties aan toe: 1) de situatie dat iemand te goeder trouw, meende dat zijn rechtsvoorganger door verjaring een erfdienstbaarheid had verkregen, maar deze niet ingeschreven was in de openbare registers. 2) de situatie dat iemand te goeder trouw denkt dat hij erfgenaam is van iemand, terwijl hij dat niet is. Hij is dan bezitter van de registergoederen van de erflater. Zie: L.P.W. van Vliet, ‘Verjaring en erfdienstbaarheid’, NTBR 2004/38. Zie tevens hierover P.C. van Es, Verkrijging door verjaring, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2011, p. 42-43.
Zie A.C. van Schaick, Rechtsgevolgen en functies van bezit en houderschap, Deventer: Kluwer 2014, p. 123 en Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/536.
Zie: P.C. van Es, Verkrijging door verjaring, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2011, p. 13, Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/536.
Verjaring zorgt ervoor dat iemand die geen rechthebbende is van een goed, maar dit wel pretendeert te zijn, na verloop van tijd wel rechthebbende wordt. Anders gezegd: verjaring zorgt ervoor dat de juridische werkelijkheid op een zeker moment aangepast wordt aan de situatie zoals die lijkt. Dit dient de rechtszekerheid.1 Ook zorgt de regeling van verjaring voor de mogelijkheid om gebreken in de eigendomsoverdracht of in de vestiging van een beperkt recht te ‘repareren’.2 Wanneer de vestiging of een overdracht niet tot stand is gekomen, doordat hier bijvoorbeeld geen geldige titel aan ten grondslag lag, of doordat er een gebrek zat in de levering resp. vestiging, zal iemand in de veronderstelling verkeren rechthebbende te zijn ten aanzien van het registergoed, terwijl diegene dit niet is.3
Illustratief in dit verband is de casus in het arrest Rodewijk/Bouwman,4 waarin (waarschijnlijk) door een fout van de notaris was de vestigingsakte van een recht van overpad niet opgemaakt en derhalve niet ingeschreven in de openbare registers. Wel had de notaris een ‘akte van overeenkomst’ opgemaakt met betrekking tot het te vestigen recht van overpad. Bouwman stelde dat op grond van art. 3:99 BW een recht van overpad door verjaring was ontstaan.5
De vraag die in dit arrest centraal stond, was of hier sprake was van goede trouw, nu het recht van overpad niet uit de openbare registers bleek.6 De Hoge Raad beantwoordde deze vraag positief en stelde dat voor goede trouw in de zin van art. 3:99 BW, niet nodig is dat iemand controleert of het zakelijke recht dat hij pretendeert te hebben op grond van de gedragingen van een notaris, ook daadwerkelijk uit de openbare registers blijkt.7
Eén van de functies van verjaring is derhalve een ‘helende functie’.8 Verjaring vervult echter ook een bewijsrechtelijke functie. Stel dat iemands positie als rechthebbende betwist wordt. Dan zou diegene de rechtsgeldigheid van alle voorgaande verkrijgingen moeten bewijzen. Door de verjaringsregeling dient iemand echter enkel te bewijzen dat het (eventueel in aansluiting van een aantal rechtsvoorgangers) reeds een zekere tijd in bezit heeft.9