Fusies en overnames in de Europese BTW
Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/4.5.2.3:4.5.2.3 Besluit aftrek van voorbelasting
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/4.5.2.3
4.5.2.3 Besluit aftrek van voorbelasting
Documentgegevens:
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS413303:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Besluit Staatssecretaris van Financiën 25 november 2011, BLKB 2011/641M, V-N 2012/6.16, onderdeel 3.6.3.
HvJ EG 22 februari 2001, nr. C-408/98, V-N 2001/15.26 (Abbey National I).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In Nederland is onder verwijzing naar het arrest Abbey National I door de Staatssecretaris van Financiën bepaald dat wanneer een belastingplichtige een duidelijk afgebakend gedeelte van zijn onderneming waarbinnen enkel belaste of vrijgestelde economische handelingen worden verricht, beëindigd of overdraagt, de aftrek van voorbelasting met betrekking tot de btw die drukt op kosten die in het licht van deze beëindiging of overdracht door de belastingplichtige worden gemaakt moet worden bepaald op basis van de economische activiteiten in dat deel van de onderneming.1 Dit betekent dat de verkoop van een belast presterend bedrijfsonderdeel tot aftrek leidt, terwijl geen aftrek bestaat voor de verkoop van een vrijgesteld presterend bedrijfsonderdeel. De vraag kan evenwel worden gesteld in hoeverre een gemengd presterende belastingplichtige die kosten maakt in verband met de verkoop van een volledig vrijgesteld presterend bedrijfsonderdeel, de stelling kan innemen dat deze kosten moeten worden geacht algemene kosten te zijn en in zoverre rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met de algehele bedrijfsactiviteit. Met name in de situatie waarin de resterende onderneming (zonder het overgedragen vrijgesteld presterende bedrijfsonderdeel) zich met name zal bezighouden met belaste prestaties, lijkt toepassing van het besluit niet tot een uitkomst te leiden die past in de uitgangspunten van het arrest Abbey National I. De overdragende partij wordt dan immers geconfronteerd met niet-aftrekbare btw terwijl deze louter (nog) belaste prestaties verricht. De economische neutraliteit beloopt daar schade. In de omgekeerde situatie (belast onderdeel verkocht, resterende onderneming hoofdzakelijk vrijgesteld) kan ook als bezwaarlijk worden gezien, aangezien in die omstandigheden volledig aftrek bestaat bij een hoofdzakelijk vrijgesteld presterende belastingplichtige. Vanuit het perspectief van de wezenlijke kenmerken van de btw is die situatie minder problematisch omdat deze er niet toe leidt dat btw cumuleert in een overigens belast presterende onderneming. Voor met name deze situaties is het besluit van de staatssecretaris naar mijn idee geen juiste interpretatie van het arrest Abbey National I.2 Daarbij merk ik op dat de interpretatie van het arrest Abbey National I in dit besluit is gericht op inspecteurs. Belastingplichtigen kunnen in bedoelde situatie onder verwijzing naar het arrest Abbey National I evenredige aftrek van voorbelasting claimen. Dat is immers de uitkomst die op basis van het arrest en artikel 11 Uitvoeringsbeschikking OB 1968 in Nederland als uitgangspunt aan de orde is.