Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/I.0
I.0 Introductie
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS180746:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Amsterdam 29 november 1841, W. 246 (Nederlandsche Handelmaatschappij), waarover Verdam 1940, p. 105-110 en De Jongh 2014/120.
HR 11 december 1914, NJ 1915/261 (Algemeene Suiker-Maatschappij): ‘[B] esluiten genomen door de Alg. Vergadering van aandeelhouders zijn besluiten der Vennootschap zelve.’ Zie Dumoulin 2000, p. 181-182.
Zie Hülsmann 1935, p. 27-35, Krause 1937, p. 35-66, Verdam 1940, p. 3-32, Noldus 1969, p. 25-33 en Busche 2011, p. 46-53, die nog enkele andere voorgestelde kwalificaties bespreken. Asser/Sieburgh 6-III 2018/15 merkt het besluit nog altijd als Gesamtakt aan.
HR 18 april 1913, W. 9500, m.nt. Wolterbeek Muller (Bierbrouwerij de Posthoorn), HR 15 juni 1928, NJ 1928/1626, m.nt. Scholten (Het Westland), HR 17 mei 1940, NJ 1940/968, m.nt. Scholten (Onderlinge Hagelverzekering Maatschappij) en laatstelijk HR 9 januari 1941, NJ 1941/528, m.nt. Scholten (Koninklijke Tricotfabriek G.J. Willink). Zie Verdam 1940, p. 20, Noldus 1969, p. 168, Klein Wassink 2012, p. 44-45 en Asser/Maeijer/Kroeze 2-I* 2015/290.
Zie art. 2:8 BW alsook Koelemeijer 1999, p. 16 e.v. en (meer in het algemeen) Asser/Sieburgh 6-III 2018/399.
Assink/Slagter 2013 (Deel 1), § 17, p. 291, Handboek 2013/202, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/290 en GS Rechtspersonen/Huizink 2018, art. 2:14 BW, aant. 5.5. Zie ook Noldus 1969, p. 30-31 en Klein Wassink 2012, p. 66-67. Zo ook de Belgische en Duitse literatuur; zie Hellemans 2001, p. 298 e.v. en Van Gerven 2016, p. 553 resp. KK- AktG/Tröger 2017, AktG § 133 Rn. 39.
Een andere benadering zou zijn de koppeling met de rechtshandeling geheel los te laten, zoals betoogd door Huizink 2005 en Klein Wassink 2012, p. 191-193. Zo’n radicale stap lijkt me niet nodig. Het probleem dat deze auteurs signaleren – dat beslissingen die geen rechtshandeling zijn, niet voor nietigheid of vernietiging vatbaar zijn – kan ook worden opgelost zonder de band met de rechtshandeling door te knippen. Zie § II.
Iedereen weet wat een besluit is. Men kan besluiten een huis te kopen, geen vlees te eten of een proefschrift te schrijven. Wie besluit, zet een punt achter zijn gedachten. Hij kiest, hij beslist, hij concludeert. Hij zegt ja of nee, hij bepaalt zijn wil. Wat rest is ernaar te handelen.
Een rechtspersoon doet niet anders. Alleen kan hij, bij gebreke van een eigen wil, niet zelf besluiten. Zijn organen besluiten voor hem. De meerderheid van het bestuur, van de algemene vergadering of van een ander orgaan bepaalt wat de rechtspersoon wil, welke kant het op moet, en daarmee wat intern als recht heeft te gelden. Als vrucht van onderling overleg bindt het besluit allen die in of bij de rechtspersoon zijn betrokken. De jaarrekening wordt vastgesteld, de strategie bepaald of de statuten gewijzigd. De neuzen wijzen dezelfde kant uit, totdat het besluit wordt ingetrokken, vernietigd of vervangen door een ander besluit.
Hoe het besluit nader te duiden, is al tijden de vraag. Is het besluit aan te merken als overeenkomst? Al in 1841 zegt de Rechtbank Amsterdam over een besluit van de Nederlandsche Handelmaatschappij
‘dat de gelijkstelling (…) met een contract of overeenkomst (…), geheel onjuist is, vermits eer, in het onderhavige geval, geene twee of meer partijen tegen over elkander staan, die over en weer eene verbindtenis hebben gesloten, maar slechts ééne partij, één ligchaam, ééne persona moralis bestaat, namelijk de Nederlandsche Handelmaatschappij (…).’1
Het besluit is dus geen overeenkomst, omdat de rechtspersoon het besluit neemt. Niet het orgaan of de vóórstemmende leden van dat orgaan besluiten, maar de rechtspersoon.2 Een kwalificatie als overeenkomst verklaart bovendien niet waarom tegenstemmers en afwezigen zich aan een genomen besluit hebben te houden. Een overeenkomst berust op ieders instemming, een besluit niet.
Geen wonder dat is gezocht naar een ander, passender etiket. Tevergeefs, want de Gesamtakt, de Vereinbarung, de partijbeslissing en de Sozialakt hebben geen van alle vaste voet aan de grond gekregen.3 Ook de afgeleide contractsleer is achter haald. Daarin is het besluit zelf geen overeenkomst, maar strekt het besluit wel tot uitvoering van de statuten, die toen als overeenkomst werden gezien. Voor de oorlog hing de Hoge Raad deze leer aan, om het besluit binnen het bereik te brengen van de redelijkheid en billijkheid, die toen alleen voor overeenkomsten gold.4 Tegenwoordig is dat niet meer nodig, want inmiddels bestrijkt de redelijkheid en billijkheid het gehele rechtspersonenrecht.5 De handboeken van nu houden het erop dat het besluit een bijzondere rechtshandeling is die zich met niets laat vergelijken. Zogezegd neemt het besluit temidden van de andere rechtshandelingen een eigen plaats in. Het besluit is niet tot een meeromvattende rechtshandeling te herleiden. Het kent zijn eigen, bijzondere regels.6
Getuigt dit sui generis-denken niet van denkluiheid? Allicht. De eigen aard van het besluit verklaart niets, zoals ook de omstandigheden van het geval en de redelijkheid en billijkheid op zichzelf weinig zeggen. Maar iets beters is er niet. Een betere voorstelling dan het besluit als een rechtshandeling van eigen aard is er niet, althans mij is het niet gelukt een betere theorie te bedenken. En dat is misschien maar goed ook. Want zoals Kroeze opmerkt, monden pogingen om het besluit nader te kwalificeren uit in ‘dogmatische beschouwingen zonder rechtens relevant belang’.7 Het heeft méér zin het besluit simpelweg als eigensoortige rechtshandeling te beschouwen, een rechtshandeling met eigen kenmerken en eigen regels.8 De zoektocht naar een preciezere kwalificatie levert weinig op – de echte vraag is wanneer en waarom het eigene van het besluit zich voordoet. Wanneer en waarom geldt voor het besluit iets anders dan voor de rechtshandeling in het algemeen?