Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.6.3.1.2
II.6.3.1.2 De visie van Hartmann en Van Russen Groen
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS377656:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Hartmann en Van Russen Groen 1998, p. 84-85.
Zie bijvoorbeeld Albers 2002, p. 34 en Michiels en De Waard 2007, p. 12.
Hartmann en Van Russen Groen 1998, p. 92. Later, bij de bespreking van diverse sancties in het licht van hun theorie, merken zij ten aanzien van de uitkeringssancties op dat, wanneer de sanctie meer bedraagt dan waarop de uitkeringsgerechtigde recht zou hebben gehad, dan wel degelijk sprake is van een criminal charge. Het lijkt erop dat hierdoor voornoemd standpunt enigszins wordt genuanceerd. Vgl. Hartmann en Van Russen Groen 1998, p. 94-95.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 8 februari 2000, JB 2000/91 m.nt. Albers, AB 2001/118 m.nt. Damen en RAwb 2000/106 m.nt. De Moor-van Vugt (Haagse woningverbeteringssubsidies).
Een interessante visie op het onderscheid tussen herstelsancties en bestraffende sancties is die van Hartmann en Van Russen Groen. Voor het maken van dit onderscheid hanteren zij de begrippen originaire en secundaire rechtsbetrekking. De originaire rechtsbetrekking omschrijven zij als
‘een op een wettelijk voorschrift gebaseerde verhouding tussen overheid en burger, die bestaat uit wederzijdse rechten en verplichtingen. […].’
Ten aanzien van deze originaire rechtsbetrekking stellen zij:
‘De basis van een originaire rechtsbetrekking wordt gevormd door een wettelijk voorschrift waarin een materiële norm is verwoord. Voor zowel de overheid als de burger schept deze originaire rechtsbetrekking een verplichting. Voor de overheid betekent dit de verplichting om uitvoering te geven aan de materiële norm en deze te handhaven. Voor de burger betekent dit dat hij of zij zich aan de betreffende materiële norm zal moeten houden.’
Wanneer de burger een overtreding begaat, en zich dus niet houdt aan de materiële norm, kan de overheid handhavend optreden. Dit kan enerzijds door het feitelijk navorderen van de verplichting of gebruik maken van een sanctie waardoor schending van de verplichting wordt hersteld. Het gaat dan om een herstelsanctie. Het is daarentegen ook mogelijk dat de overtreder een verplichting wordt opgelegd die verder strekt dan de verplichtingen die voortvloeien uit de originaire rechtsbetrekking. Deze verplichting heeft tot doel de overtreder duidelijk te maken dat hem de overtreding verweten kan worden. Er ontstaat dan een tweede rechtsbetrekking, de secundaire rechtsbetrekking genoemd. De verplichtingen die binnen deze secundaire rechtsbetrekking bestaan, zijn sancties die onder het begrip criminal charge als bedoeld in artikel 6 EVRM vallen (en dus als bestraffend moeten worden aangemerkt).1
Voor het onderscheid tussen herstelsancties en bestraffende sancties is naar de mening van Hartmann en Van Russen Groen derhalve van belang of door het opleggen van een sanctie al dan niet een nieuwe rechtsbetrekking ontstaat. Zodra een sanctie buiten de originaire rechtsbetrekking valt, is geen sprake meer van een herstelsanctie, maar van een bestraffende sanctie. Op deze visie is kritiek geuit.2 Dit komt onder andere omdat de intrekking van een begunstigende beschikking (bij wijze van sanctie) naar de mening van Hartmann en Van Russen Groen in het algemeen niet leidt tot het ontstaan van een secundaire rechtsbetrekking. Zij stellen dat met de intrekking slechts een onrechtmatige situatie ongedaan wordt gemaakt, dan wel een rechtmatige situatie wordt hersteld.3 Dat is opvallend, nu, zoals in het hiernavolgende zal blijken, een intrekking bij wijze van sanctie nogal eens verder gaat dan herstel van de rechtmatige toestand vergt.4