Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.7.1.3
III.7.1.3 Menselijke waardigheid
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS450816:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
G.J.M. Corstens & M.J. Borgers, Het Nederlandse strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 266.
Zie de verwijzingen in: E. Brems & J. Vrielink, Menselijke waardigheid in de Nederlandse Grondwet?, Deventer: Kluwer 2010, p. 9.
Ontleend aan D. Dolinko, ‘Is there a Rationale for the Privilege against Self-Incrimination’, UCLA L. Rev. 1986, 4, p. 1095-1096.
D. Dolinko, ‘Is there a Rationale for the Privilege against Self-Incrimination’, UCLA L.Rev. 1986, 4, p. 1101.
J.M. Reijntjes, ‘Nemo tenetur: een holle leus?’, in: J.M. Reijntjes (red.), Nemo tenetur, Arnhem: Gouda Quint 1996, p. 18.
N. Gontier, De oorsprong en evolutie van het leven, Brussel: VUBPress 2004, p. 358.
Deze variant is gebaseerd op, maar komt niet volledig overeen met R.B. McKay, ‘Self- Incrimination and the New Privacy’, The Supreme Court Review 1968, p. 210 en R.S. Gerstein, ‘Privacy and Self-Incrimination’, Ethics 1970, 2, p. 90-94.
In deel II (na de moord op de twee zussen Ivanovna) worstelt Raskolnikov duidelijk met zijn mentale ‘zelfbehoud’. Als voorbeeld neem ik hoofdstuk 6 waarin Raskolnikov, nadat hij enige tijd ziek op bed heeft gelegen, voor het eerst weer naar buiten gaat. Hij stelt dat ‘all this must be ended today, once for all, immediateley that he would not return homewithout it because he would not go on living like this’. In de loop van het hoofdstuk probeert hij via dagbladen zo veel mogelijk informatie over (het politieonderzoek naar) de moorden te verkrijgen. Als hij in een café enkele dagbladen aan het lezen is, komt de chief police clerk Zametov bij hem zitten. Enkele keren staat Raskolnikov op het punt om zijn misdaden te bekennen (en daarmee zijn piekeren en mentale onrust te verlichten). Hij besluit, nadat hij een vrouw een zelfmoordpoging heeft zien ondernemen, uiteindelijk naar het politiebureau te gaan: ‘that’s loathsome… water… It’s not good enough. […] Nothing will come of it, no use to wait. What about the police…?’ Blijkbaar vindt hij, voor zijn eigen positie, een zelfmoordpoging door in het water te springen ‘niet goed genoeg’. De enige verlossing is door het misdrijf te bekennen.
R.S. Gerstein, ‘Privacy and Self-Incrimination’, Ethics 1970, 2, p. 93.
B.J. Koops, Verdachte en ontsleutelplicht: hoe ver reikt nemo-tenetur?, Deventer: Kluwer 2000, p. 44.
M. Redmayne, ‘Rethinking the privilege against self-incrimination’, Oxford Journal of Legal Studies 2007, 2, p. 223.
De menselijke waardigheid als rechtsgrond voor het nemo-teneturbeginsel vloeit voort uit de invalshoek van Corstens & Borgers, te weten ‘het respect datvoor de verdachte moet worden opgebracht’.1 Een verdachte moet menswaardig worden behandeld. Dit maakt echter niet meteen duidelijk waarom het nemo- teneturbeginsel een menswaardige behandeling zou bevorderen. Overwegend wordt verwezen naar Kants humanistische visie als de belangrijkste theoretische grondslag voor de betekenis van menselijke waardigheid als juridisch concept (zie uitgebreid paragraaf 1 van hoofdstuk 5).2 Wanneer een mens als middel wordt gebruikt om een bepaald doel te bereiken, heeft de mens niet langer intrinsieke waarde maar wordt hij als instrument gebruikt. De mens die als instrument wordt gebruikt, wordt niet menswaardig behandeld. Hij is namelijk een doel-in-zichzelf en daardoor onvervangbaar. In de literatuur wordt vervolgens op (ten minste) twee verschillende manieren de menselijke waardigheid uitgewerkt als rechtsgrond voor het nemo-teneturbeginsel.
De eerste visie komt voort uit een zelfbeschermingsidee. Het argument is als volgt.3 Verplichte zelfincriminatie wordt als uitgangspunt genomen. De (morele) regel is dat elke burger informatie over zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit openbaart, wanneer hij daartoe wordt gevraagd door de autoriteiten. Het nemo-teneturbeginsel en het zwijgrecht bestaan in deze fictieve situatie niet. Zelfincriminatie is de enige mogelijkheid en iedereen behoort aan die regel te voldoen. Maar als een persoon de vraag wordt gesteld om de regel vrijwillig te volgen, dan zou niemand, ook niet een schuldige burger, aan de zojuist voorgestelde regel willen voldoen. Het voldoen aan de regel van zelfincriminatie betekent namelijk dat de persoon ‘zichzelf ophangt’. Geen enkele persoon, vanuit een instinctieve drive voor zelfbescherming, zou aan de zelfincriminatieregel willen voldoen. Dolinko noemt dit argument dan ook ‘the hypocritical argument’.4 Het nemo-teneturbeginsel bestaat vanuit deze visie zodat elke persoon zichzelf kan beschermen door niet verplicht mee te werken aan een opsporingsonderzoek dat tegen hem is gericht. Ook Reijntjes wijst op het zelfbeschermingsidee. Hij stelt de vraag of we vinden ‘dat iedere burger het recht heeft zichzelf te beschermen – al gaat dat ten koste van dewaarheidsvinding?’5 Het is menswaardig om de verdachte in eerste instantie – en eventueel ten koste van de waarheidsvinding – de mogelijkheid te bieden zichzelf in bescherming te nemen om een veroordeling te voorkomen. Deze rechtvaardiging van het nemo-teneturbeginsel kan vanuit een letterlijke vertaling van ‘nemo tenetur prodere se ipsum’ worden verklaard: iemand hoeft zichzelf niet te verraden.
Dat een persoon zichzelf niet hoeft te verraden, is een rechtvaardiging van het nemo-teneturbeginsel die past binnen een biologische benadering van de mens. Volgens Gontier is bestaand leven voornamelijk gericht op zelfbehoud.6 In eerste instantie wil een organisme in leven blijven. Pas als zelfbehoud in gevaar komt, gaat het organisme evolueren. Toen de doodstraf nog werd uitgevoerd, kon het meewerken aan de eigen veroordeling daadwerkelijk leiden tot ‘zelfdestructie’. Tegenwoordig wordt de doodstraf in de meeste landen niet meer uitgevoerd en is bescherming tegen fysiek geweld en voldoende voedsel, water en zuurstof normaal gesproken voldoende voor een persoon om in leven te blijven. Zelfincriminatie leidt niet meer tot zelfdestructie. Zelfbehoud in deze zin – dat een strafproces (althans in de meeste landen) niet kan eindigen met de doodstraf – is gegarandeerd. Omdat zelfbehoud voor een verdachte in een strafproces zeker is, verdient de zelfbeschermingsidee (in de meest strikte zin) aanpassing. De rechtvaardiging voor het bestaan van het nemo-teneturbeginsel wordt verplaatst naar een ‘menswaardig zelfbehoud’. Niet enkel het zelfbehoud is voldoende, maar een menswaardig bestaan.
Als niet enkel het in leven blijven het doel is, maar ook een bepaalde kwaliteit van leven – met andere woorden een menswaardig bestaan – dan is fysieke vrijheid een belangrijk onderdeel daarvan. Zonder fysieke vrijheid wordt het uitoefenen van andere onderdelen die de kwaliteit van leven bevorderen lastiger. In deze zin draagt het nemo-teneturbeginsel bij aan het feit dat een persoon niet te lichtzinnig zijn zelfbescherming tegen vrijheidsbeneming wordt ontnemen. De verdachte kan immers niet worden gedwongen zelf mee te werken – door het leveren van bewijs – aan zijn vrijheidsbeneming. Het bewijs moet door de overheid worden verkregen op andere wijze dan door de verdachte onder druk mee te laten werken aan zijn eigen veroordeling.
Het zelfbehoudsargument kan nog een andere vorm aannemen. Hierin staat niet het fysieke maar het geestelijke of mentale zelfbehoud centraal.7 Daarmee bedoel ik dat een gedwongen bekentenis geen bijdrage levert aan het inzien van de fout van de verdachte en daardoor niet bijdraagt aan het helende effect dat het vrijwillig afleggen van een bekentenis heeft op de geestelijke gezondheid van een mens (vgl. Raskolnikov in Dostojevksi’s Misdaad& Straf8 en Mitja in Dostojevksi’s De Broeders Karamazov). Dit argument is gebaseerd op de rol van de biecht in het christendom en later op de inzichten van vrijwillige herervaring op geestelijk welzijn in de geestelijke gezondheidszorg. Door zonden op te biechten kan een priester een zonde vergeven. Het vrijwillig opbiechten van een zonde is een vorm van zelfveroordeling. Dit is noodzakelijk in het proces van vergeving en wordt verondersteld het geweten te verlichten, de geestelijke gezondheid te verbeteren. ‘[C]onfessionand repentance are a medicine for the soul.’9 Het bekennen van een misdaad zorgt voor mentaal zelfbehoud, zodat de verdachte niet worstelt met de absurditeit en de zinloosheid van het bestaan en de confrontatie aangaat met de gevolgen van zijn foute keuze. De veronderstelling is echter dat alleen een vrijwillig afgelegde bekentenis (of biecht) het helende effect op de geest heeft. Een verbod op gedwongen zelf-incriminatie biedt de verdachte de mogelijkheid om, ondanks zijn zonde(n), te genezen.
Een andere benadering van de rechtsgrond menselijke waardigheid is uitgewerkt met het ‘cruel dilemma’. Koops omschrijft het onmenswaardige dilemma als volgt: om een persoon te laten kiezen tussen het doen van een zelfbelastende verklaring (en hoogstwaarschijnlijk te worden veroordeeld voor het delict dat is gepleegd) of niet mee te werken (en daarvoor te worden veroordeeld, bijvoorbeeld voor het niet opvolgen van een ambtelijk bevel) is inhumaan.10 Een veroordeling staat in dat geval vast, het is aan de verdachte om te kiezen voor welk delict hij wordt veroordeeld. In dit geval wordt de verdachte burger dus altijd als instrument gebruikt. Hij levert bewijs voor een veroordeling. Dit terwijl de (Kantiaanse) menselijke waardigheid stelt dat mensen ook altijd als doel-in-zichzelf moeten worden gebruikt.
Als tegenargument voor deze uitwerking van de rechtsgrond menselijke waardigheid wordt genoemd dat dit dilemma alleen speelt voor schuldigen.11 De onschuldige kan zichzelf namelijk niet incrimineren en hoeft dan ook niet tussen twee kwaden te kiezen. Om twee redenen lijkt mij dit tegenargument in ieder geval niet overtuigend (al betekent dat niet dat de menselijke waardigheid de rechtsgrond voor het nemo-teneturbeginsel is).
Dit tegenargument gaat uit van een duidelijke tegenstelling tussen schuldigen en onschuldigen. Als een schuldige wordt gedwongen te spreken onder dreiging van een gevangenisstraf rest hem inderdaad de ‘keuze’ tussen twee veroordelingen. Als een onschuldige echter wordt gedwongen te spreken onder dezelfde strafdreiging, is er op dat moment voor de autoriteiten niet duidelijk of de verdachte onschuldig is (en misschien beschouwen de opsporingsautoriteiten deze mogelijkheid niet eens als reëel). Dit betekent dat een onschuldige niet kan bekennen maar dat hij wel kan worden veroordeeld voor het niet meewerken. Daarnaast kan hij worden gedwongen een (valse) bekentenis af te leggen om de veroordeling voor het niet meewerken te voorkomen of omdat de verhorende ambtenaar niet gelooft dat de persoon niet betrokken is bij het strafbare feit. De onschuldige kan derhalve in eenzelfde situatie terecht komen waarin hij tussen twee kwaden moet kiezen.
Daarnaast is de tegenstelling tussen schuldigen en onschuldigen te simpel, te zwart-wit. Stel dat een onschuldige verdachte van een ontuchtzaak verschillende vragen worden gesteld over zijn gedrag met betrekking tot het bekijken van pornografisch foto- of videomateriaal. Het is niet onwaarschijnlijk dat deze onschuldige verdachte op dit moment in het verhoor niet wil prijsgeven dat hij elke dag meerdere malen pornografisch materiaal bekijkt. Deze informatie bevat geen mededelingen over de betrokkenheid bij het strafbare feit dat wordt onderzocht. Toch is dit informatie die men in algemene zin waarschijnlijk niet wil delen, maar in dit specifieke geval bij een verhoor betreffende een verdenking van betrokkenheid bij ontucht al helemaal niet. Deze informatie kan namelijk een bepaald beeld vormen van de persoon van de verdachte dat (tenminste volgens de opsporingsautoriteiten) past bij het profiel van de dader.
Niet alleen bij ontuchtzaken (zoals in het gegeven voorbeeld) maar ook in andere zaken kan een karakterschets een (belangrijke) rol spelen voor de overtuiging dat een verdachte de dader is. Welke rol speelt het feit dat een verdachte van een geweldsmisdrijf een bekende free fighter is? Plegen personen die een gewelddadige sport beoefenen, zoals kooivechten, eerder geweldsmisdrijven? Dit betekent dat ook een onschuldige met een dilemma te maken kan krijgen tijdens een verhoor wanneer hij wordt gedwongen een verklaring af te leggen, ook al bevat deze verklaring geen mededeling over betrokkenheid bij een strafbaar feit. Het argument dat het cruel dilemma alleen speelt voor schuldigen gaat derhalve niet op. Ook onschuldigen kunnen informatie prijsgeven die tegen hen kan worden gebruikt.
De rechtsgrond de menselijke waardigheid kan derhalve vanuit een zelfbeschermings- of zelfbehoudsidee worden bekeken omdat elk organisme in eerste instantie in leven wil blijven en de mens een bepaalde kwaliteit van leven nastreeft. ‘Jezelf ophangen’ en daardoor jouw fysieke vrijheid verliezen past daar niet in. Daarnaast kan het nemo-teneturbeginsel voorkomen dat personen worden verplicht te kiezen tussen verschillende veroordelingen of dat zij verplicht worden vertrouwelijke, gevoelige informatie bekend te maken ook al betreft dit geen informatie over de betrokkenheid bij een strafbaar feit. In deze visie wordt de mens louter als instrument, en niet ook als doel-in-zichzelf gebruikt. Dit betekent, vanuit het belang van zelfbehoud, zelfbescherming en mentaal welzijn, dat elke handeling die de verdachte dwingt, verboden is. Hierdoor is de toepassing van een opsporingsmethode tegen de wil van de verdachte (en dat is meestal het geval) een schending van het nemo-teneturbeginsel. Aangezien de toepassing van (neuro)geheugendetectie een grote mate van fysieke dwang vereist, namelijk de lichamelijke fixatie van ongeveer één uur, zou daarvoor geen ruimte bestaan in het strafproces vanuit de menselijke waardigheid als rechtsgrond voor het nemo-teneturbeginsel.