Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/8.9
8.9 Geschillenregeling
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS391284:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover uitgebreid Bulten 2011, p. 57-68.
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 17 (MvT): uitstoting is ook mogelijk wegens gedragingen die ten tijde van het instellen van de vordering in het verleden liggen.
Hof Amsterdam (OK) 27 oktober 1994, NJ 1996, 167 (Muller/Muts); Rb. Amsterdam 28 maart 2001, JOR 2001, 110 (Hoffmann/Hoffmann) en - in vervolg - Hof Amsterdam (OK) 10 april 2003, JOR 2003, 144, m.nt. Bulten (Hoffmann/Hoffmann). Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 707, zijn van mening dat deze enge uitleg van het criterium niet gehandhaafd moet blijven. De toets zou moeten zijn: schaadt het gedrag van de aandeelhouders het belang van de vennootschap zodanig, dat het handhaven als aandeelhouder niet langer mogelijk is? Zie ook Bulten in haar JOR noot onder het eerder genoemde Hoffman-arrest. De minister spreekt over ‘de beperkte gronden waarop aandeelhouders kunnen worden uitgestoten’ als knelpunt in de geschillenregeling, zie Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 17 (MvT).
Kamerstukken II 1984/85, 18 905, nr. 3, p. 15-17 (MvT).
Met invoering van de flex-BV zijn de woorden ‘wordt geschaad’ gewijzigd in ‘is geschaad’. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat uittreding ook mogelijk is wegens gedragingen die ten tijde van de vordering inmiddels in het verleden liggen. Zie Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 108 (MvT).
Zie uitgebreid over het uittredingsrecht van de minderheidsaandeelhouder: P.P. de Vries, Exit rights of minority shareholders in a private limited company (diss. Groningen), Deventer: Kluwer 2010.
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 108 (MvT). Met invoering van de flex-BV is het mogelijk geworden de vordering tot uittreding in te stellen tegen de vennootschap op grond van gedragingen van één of meer mede-aandeelhouders of van de vennootschap zelf. Daarmee komt de wetgever terug op haar eerdere standpunt dat indien sprake is van wanbeheer de enquêteprocedure moet worden gevolgd (Kamerstukken II 1984/85, 18 905, nr. 3, p. 26 (MvT). “Waar de mogelijkheden van een enquêteprocedure en de uittredingsregeling elkaar ook in andere omstandigheden niet steeds uitsluiten, bestaat er onvoldoende grond om aan die beperking thans nog vast te houden.”, aldus de wetgever ten tijde van de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel van de flex-BV. Is de vordering ingesteld tegen de vennootschap, dan zal wel rekening moeten worden gehouden met de beperkingen die zijn gesteld aan verkrijging door de vennootschap van eigen aandelen. Zie art. 2:207 BW.
Zie hierover uitgebreid Bulten 2011, p. 69-82. Bulten komt uiteindelijk tot de conclusie dat zowel voor de vordering tot uitstoting als de vordering tot uittreding eenzelfde grond gehanteerd zou moeten worden, gebaseerd op art. 2:8 BW. Zie Bulten 2011, p. 92-93. De minister heeft deze aanbeveling niet overgenomen, zie Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 6, p. 23 (NV II).
Hof Amsterdam (OK) 16 mei 1991, NJ 1992, 203 (Van Baarsen/Van Vliet).
Zie voor een overzicht van gedragingen Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 709.
Hof Amsterdam (OK) 22 oktober 1992, NJ 1993, 411 (Van Eyk/Nootebos).
Vgl. Hof Amsterdam (OK) 20 november 1997, NJ 1998, 392 (Hooymans).
Hof Amsterdam (OK) 24 februari 1994, NJ 1995, 354.
Zie uitvoering over de processuele positie van de certificaathouder: Van der Sangen 2001, p. 113 e.v.
Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 6, p. 14-15 (NV II).
Kamerstukken II 1984/85, 18 905, nr. 3, p. 17 (MvT).
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 22 (MvT).
Kamerstukken II 1984/85, 18 905, nr. 3, p. 15 (MvT).
In gelijke zin Bulten 2011, p. 148. Zie p. 149-150 hoe de geschillenregeling ten aanzien van de bewilligde certificaathouder dan vorm zou kunnen krijgen.Andere voorstanders: Leijten 2000, p. 2-3, wijst er op dat de geschillenregeling niet alleen het belang van de eisende aandeelhouder(s) en van de vennootschap dient, maar ook het algemeen belang. Leijten verwijst daarbij naar HR 8 december 1993, NJ 1994, 273 (Van den Berg). Van der Sangen 2001, p. 117.Tegenstanders: Van den Ingh 2008, p. 9, sluit zich aan bij de opvatting van de minister en stelt dat conflicten tussen certificaathouders zich niet zo vaak zullen voordoen als tussen aandeelhouders. Bij aandeelhouders gaan het vaak om geschillen ten aanzien van de uitoefening van het stemrecht, welk stemrecht de certificaathouder ontbeert. Soerjatin 2006, p. 217, stelt dat de certificaathouder een geheel andere positie bekleedt dat de aandeelhouder. Zij wijst op de mogelijkheid in de statuten en de administratievoorwaarden te voorzien in uittreedmogelijkheden voor certificaathouders. Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 706, stellen dat ‘de certificaathouder niet een uitstotingsvordering toekomt, omdat hij, evenals de vennootschap, geen problemen kan ondervinden van de gedragingen van mede-aandeelhouders’.
Bulten 2011, p. 100-101.
De geschillenregeling bestaat uit de vordering tot gedwongen overdracht of uitstoting (art. 2:336 BW) en de vordering tot uittreding (art. 2:343 BW). Het doel of resultaat van de geschillenregeling is aldus de overdracht van aandelen.
Aard van het middel
a. de vordering tot gedwongen overdracht of uitstoting
Art. 2:336 lid 1 BW bepaalt dat een of meer houders van aandelen die alleen of gezamenlijk ten minste een derde van het geplaatste kapitaal verschaffen, van een aandeelhouder die door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig schaadt of heeft geschaad, dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld, in rechte kunnen vorderen dat hij zijn aandelen overeenkomstig art. 2:341 BW overdraagt. Dit wordt ook wel de vordering tot gedwongen overdracht of uitstoting genoemd.
De grondslag van de vordering tot uitstoting1 is dat de gedaagde aandeelhouder door zijn gedrag het gedrag van de vennootschap schaadt of heeft geschaad.2 Gedragingen die wel schadelijk zijn voor de goede naam en faam van de vennootschap, maar die niet direct verband houden met het functioneren van de aandeelhouder binnen de vennootschap, zijn daartoe niet voldoende. Datzelfde geldt voor het enkele hinderlijke of zelfs onaanvaardbare gedrag van een aandeelhouder. Het gaat aldus om gedragingen van de aandeelhouder – in die hoedanigheid3 – die ertoe leiden dat het functioneren van de vennootschap in gevaar wordt gebracht, omdat de besluitvorming wordt verlamd.4
b. de vordering tot uittreding
Art. 2:343 lid 1 BW bepaalt onder meer dat de aandeelhouder die door gedragingen van één of meer mede-aandeelhouders zodanig in zijn rechten of belangen is geschaad5 dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd, tegen die mede-aandeelhouders een vordering tot uittreding kan instellen, inhoudende dat zijn aandelen overeenkomstig art. 2:343a lid 1, 2 en 3 BW worden overgenomen. Dit wordt ook wel de vordering tot uittreding genoemd.6 De vordering tot uittreding kan ook worden ingesteld tegen de vennootschap op grond van gedragingen van één of meer mede-aandeelhouders of van de vennootschap zelf. Indien de vordering tegen de vennootschap wordt toegewezen, dan is de vennootschap verplicht tot overneming.7
De grondslag van de vordering tot uittreding8 is de gedraging van een aandeelhouder, waardoor de andere aandeelhouder zodanig in zijn recht of belangen wordt geschaad dat het voortduren van het aandeelhouderschap van de ene aandeelhouder in redelijkheid niet kan worden gevergd. De mede-aandeelhouder zit in een benarde situatie of is bekneld. De vordering tot uittreding kan een einde maken aan deze positie. De wettekst brengt tot uitdrukking dat het om het belang van de aandeelhouder gaat. Anders dan bij de vordering tot uitstoting gaat het dus niet om schending van het vennootschappelijk belang. Dat neemt niet weg dat ook de vennootschap ermee gediend kan zijn dat aan de benarde situatie een einde komt. Noch de omstandigheid dat gedragingen als bedoeld in art. 2:343 BW tevens het belang van de vennootschap schaden en mogelijk aanleiding geven tot een vordering ingevolge art. 2:336 BW, noch de omstandigheid dat een andere aandeelhouder dan eiser ook schade heeft ondervonden, staan aan toepasselijkheid van art. 2:343 BW in de weg.9 Het kan gaan om allerlei gedragingen van een mede-aandeelhouder, die ertoe leiden dat de andere aandeelhouder ‘benard’ raakt.10 Die gedragingen hoeven geen verband te houden met het aandeelhouderschap. Het gaat om alle gedragingen, van welke aard dan ook, die kunnen leiden tot benardheid.11 Daarbij behoeft op zich nog geen sprake te zijn van misdragingen van de mede-aandeelhouders.12 Het kan ook gaan om een minderheid van aandeelhouders die door de meerderheid in een onhoudbare situatie wordt gebracht.13
Blijkens art. 2:338 lid 3 BW kunnen de vordering tot uitstoting en de vordering tot uitreding ook bij wege van voorlopige voorziening worden ingesteld.
Welke kapitaalverschaffer zonder stemrecht komen de vorderingen uit hoofde van de geschillenregeling toe?14
a. de vordering tot gedwongen overdracht of uitstoting
Uit art. 2:336 lid 1 BW volgt dat de vordering tot gedwongen overdracht toekomt aan een of meer houders van aandelen die alleen of gezamenlijk ten minste een derde van het geplaatste kapitaal verschaffen. Op grond van art. 2:24d lid 2 BW tellen stemrechtloze aandelen bij het bepalen van deze drempel mee. De wettekst spreekt van aandeelhouders, zodat de vordering toekomt aan de stemrechtloze aandeelhouder.15 De vordering komt ook toe aan de houder van aandelen waarvan het stemrecht is overgedragen aan de vruchtgebruiker of pandhouder. De vordering komt niet toe aan de certificaathouder en evenmin aan de houder van een participatiebewijs. Op grond van art. 2:336 lid 2 BW kan het administratiekantoor de vordering tot uitstoting slechts instellen indien de certificaathouders daarmee tevoren hebben ingestemd. Ontbreekt deze instemming, dan is het niet-ontvankelijk. Het administratiekantoor dat aandelen houdt waarvan ook anderen dan de vennootschap of een dochtermaatschappij certificaten houden, kan de vordering wel instellen, maar alleen voor de aandelen waarvan de certificaten door die anderen worden gehouden. Dit vloeit voort uit de woorden ‘indien en voor zover’ in art. 2:336 lid 2 tweede volzin BW.16
b. de vordering tot uittreding
Uit art. 2:343 lid 1 BW volgt dat de vordering tot uittreding toekomt aan de aandeelhouder. Daaronder is mede begrepen de stemrechtloze aandeelhouder en de houder van aandelen waarvan het stemrecht is overgedragen aan de vruchtgebruiker of pandhouder. Anders dan bij de vordering tot uitstoting wordt daarbij geen kapitaaleis gesteld. De vordering komt niet toe aan de certificaathouder en evenmin aan de houder van een participatiebewijs. De vordering tot uittreding kan ook worden ingesteld tegen de vennootschap op grond van gedragingen van één of meer mede-aandeelhouders of van de vennootschap zelf.
Knelpunten
a. vordering tot uitstoting
Zoals gesteld, komt de certificaathouder niet de vordering tot uitstoting toe. De wetgever merkt daarover op dat zij de positie van de certificaathouder te zeer vindt verschillen van die van een gewone aandeelhouder.17 Kennelijk is dat een verwijzing naar de memorie van toelichting bij invoering van de geschillenregeling. Destijds noemde de wetgever als argument de certificaathouder de vordering tot uittreding te onthouden dat de certificaathouder geen stemrecht in de vennootschap heeft, zodat het niet kan gaan om geschillen tussen aandeelhouders.18 Ik zie geen goede reden waarom de stemrechtloze aandeelhouder wel en de houder van een certificaat met vergaderrecht niet de vordering tot uitstoting toekomt. Het certificaat met vergaderrecht toont grote gelijkenis met het stemrechtloze aandeel; zo hebben beide geen stemrecht. Er is naar mijn mening geen rechtvaardiging voor dit verschil te vinden, te meer omdat de certificaathouder met en zonder vergaderrecht wel bij voldoende kapitaalbelang enquêtegerechtigd zijn. Bovendien kan, anders dan het enquêterecht, de geschillenregeling overdracht van aandelen bewerkstelligen en zo een geschil of impasse tot een definitief einde brengen. Vooral in familievennootschappen, joint ventures of andere (meer) besloten verhoudingen kan de geschillenregeling de certificaathouder met vergaderrecht haar nut bewijzen.19
Een ander knelpunt zou de kapitaaleis kunnen zijn, die art. 2:336 BW stelt. De vordering tot uitstoting kan slechts worden ingesteld door een of meer houders van aandelen die alleen of gezamenlijk ten minste een derde van het geplaatste kapitaal verschaffen. Met Bulten20 ben ik eens dat er geen goede reden voor deze drempel is te bedenken. Zowel bij het agenderingsrecht als bij het bijeenroepingsrecht geldt een drempel van een honderdste. In het enquêterecht geldt voor de kleine BV een drempel van tien procent. Het enquêterecht kan diep ingrijpen in de vennootschap en haar structuur. Ook de toewijzing van de vordering tot uitstoting heeft ingrijpende gevolgen. Een aandeelhouder moet als gevolg daarvan zijn aandelen overdragen. Ook de grondslag van de uitstotingsvordering is in zekere zin te vergelijken met de grondslag van een enquêteverzoek. Niet valt in te zien waarom in de geschillenregeling bij de vordering tot uitstoting een hogere kapitaaleis geldt dan in het enquêterecht voor de kleine BV. Ik pleit er dan ook voor de kapitaaleis voor de vordering tot uitstoting gelijk te trekken met de kapitaaleis als bedoeld in art. 2:346 lid 1 onder b BW, zijnde ten minste een tiende gedeelte van het geplaatste kapitaal.
b. vordering tot uittreding
Ten aanzien van de vordering tot uittreding en de positie van de houder van een certificaat met vergaderrecht geldt mijns inziens hetgeen ik ten aanzien van die positie bij de vordering tot uitstoting heb gesteld: ook de houder van een certificaat met vergaderrecht moet de vordering tot uittreding toekomen.
De houder van een certificaat zonder vergaderrecht behoort niet tot de kring van betrokkenen, zodat ik aan hem niet de vordering tot uitstoting en de vordering tot uittreding zou willen laten toekomen.