Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/III.10.3.1.1
III.10.3.1.1 Limitatieve opsomming van intrekkingsgronden?
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS375282:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Een omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.
ABRvS 21 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:839. Zie ook Rechtbank Den Haag 1 mei 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:CA1693.
Zie voorts ABRvS 9 april 2014, AB 2014/198 m.nt. Nijmeijer, waarin aan een Nbw-vergunning een voorschrift werd verbonden inhoudende dat de vergunning van rechtswege vervalt ‘indien de inrichting binnen drie jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden niet volledig is voltooid en in werking gebracht conform de aanvraag, vervalt de vergunning voor die onderdelen welke niet binnen die termijn zijn benut’. Dit voorschrift verdraagt zich naar het oordeel van de Afdeling echter niet met de limitatieve intrekkingsregeling van art. 43 lid 2 Nbw 1998. Nijmeijer wijst in zijn annotatie terecht op de relevantie van deze uitspraak voor de Wabo, nu de Nbw-vergunning onder omstandigheden aanhaakt bij de omgevingsvergunning en ook de intrekkingsbepalingen neergelegd in de Wabo limitatief zijn.
In de rechtspraak was aanvaard dat de vrijstelling zonder wettelijke grondslag kon worden ingetrokken. Zie onder meer Vz. ARRvS 7 april 1992, AB 1992/578 m.nt. Van Buuren. Zie meer impliciet: ABRvS 25 oktober 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ0847. In ABRvS 21 mei 2008, BR 2008/123 m.nt. Van Deutekom betreft het eveneens de intrekking van een vrijstelling. De Afdeling oordeelt slechts dat de in geding zijnde vrijstelling en bouwvergunning niet kunnen worden ingetrokken wegens het door de aanvrager verstrekken van onvoldoende gegevens, wegens het ontbreken van causaal verband. De vraag of, ingeval er wel sprake zou zijn van causaal verband, de vrijstelling wel zou kunnen worden ingetrokken, blijft onbeantwoord.
Vgl. artt. 2.31 lid 1 onder d-f en lid 2 onder c-e Wabo en 2.33 lid 1 onder g en lid 2 onder f- h Wabo.
Zie bijvoorbeeld de artt. 46c lid 2 en 47c lid 2 Natuurbeschermingswet 1998.
Een eerste vraag die in relatie tot het theoretisch kader van belang is, is de vraag of de intrekkingsregeling die is neergelegd in de Wabo een limitatief karakter draagt. Het betreft dan de vraag of een omgevingsvergunning ook op andere gronden dan die welke in de artikelen 2.31, 2.33 en 5.19 Wabo zijn genoemd, kan worden ingetrokken. De tekst van de wet geeft op deze vraag geen antwoord. De intrekkingsregeling bevat niet een zinsnede als ‘de omgevingsvergunning kan slechts worden ingetrokken, indien …’. Uit de wettekst valt aldus niet af te leiden of sprake is van een limitatieve intrekkingsregeling. De memorie van toelichting geeft op deze vraag ook geen antwoord. Opgemerkt wordt slechts dat de in de Wabo opgenomen intrekkingsgronden een optelling zijn van de gronden die in de diverse wetten waren opgenomen. De gronden zijn dan ook toegespitst op een bepaalde activiteit.1 Dat zegt echter niet direct iets over het al dan niet limitatieve karakter van de intrekkingsregeling.
Ten aanzien van art. 2.33 Wabo heeft de Afdeling bestuursrechtspraak in 2013 geoordeeld dat de intrekkingsgronden welke in deze bepaling zijn opgenomen, limitatief zijn. Het betrof een vrijstelling in de zin van art. 19 WRO (oud) welke was verleend aan een supermarkt. De vrijstelling werd onder de Wabo aangemerkt als een omgevingsvergunning als bedoeld in art. 2.1 lid 1 aanhef en onder c Wabo,2 en dus was art. 2.33 Wabo van toepassing. Geen van de daar genoemde intrekkingsgronden deed zich echter voor. De Afdeling overwoog:
‘Artikel 2.33 van de Wabo noch de geschiedenis van de totstandkoming van dit artikel (Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3, blz. 117-119) bevat aanwijzingen dat het bestuursorgaan dat de omgevingsvergunning heeft verleend, in andere dan de in dit artikel vermelde gevallen bevoegd is de vergunning in te trekken. De opsomming van intrekkingsgronden in artikel 2.33 van de Wabo is limitatief. Andere gronden voor intrekking, voor zover die niet is bedoeld als sanctie, waarvan als gezegd in dit geval geen sprake is, zijn uitgesloten.’3
Eenzelfde redenering zou kunnen worden gevolgd ten aanzien van de artikelen 2.31 en 5.19 van de Wabo.4 Voorts geldt dat het toepassingsbereik van genoemde bepalingen zeer breed is. Waar onder het oude recht ten aanzien van bijvoorbeeld de vrijstelling als bedoeld in art. 19 WRO (oud) niets omtrent intrekking was bepaald,5 is dat onder de Wabo niet meer het geval. Betwijfeld kan dan ook worden in hoeverre überhaupt nog behoefte bestaat aan ongeschreven intrekkingsgronden.
Wat betreft het limitatieve karakter van de in de Wabo neergelegde intrekkingsregeling moet tot slot nog het volgende worden opgemerkt. De Wabo biedt de mogelijkheid om een omgevingsvergunning in te trekken op gronden neergelegd in een AMvB als bedoeld in art. 2.1 lid 1 onder i Wabo, een verordening als bedoeld in art. 2.2 Wabo of een wettelijk voorschrift in de zin van 2.19 Wabo.6 De constructie hierbij is dat in de Wabo is bepaald dat een omgevingsvergunning kan worden ingetrokken op gronden neergelegd in één van voornoemde regelingen.7 Voor het antwoord op de vraag op welke gronden uiteindelijk tot intrekking kan worden overgegaan, moet de betreffende regeling zelf worden geraadpleegd. De (decentrale) wetgever wordt dus een zekere ruimte gelaten om intrekkingsgronden te formuleren. Voor omgevingsvergunningen als bedoeld in art. 2.1 lid 1 aanhef en onder i Wabo, art. 2.2 of 2.19 Wabo geldt, dat intrekking ook kan plaatsvinden op andere dan in de Wabo genoemde gronden. Het betreft echter geen aanvullende ongeschreven bevoegdheid tot intrekking als waarvan sprake was in paragraaf 3.2.2.2. De bevoegdheid tot intrekking is immers slechts neergelegd in een andere, aan de Wabo gerelateerde, regeling.