Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.6.2.4.3.b
Dwingende maatschappelijke behoefte
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS454377:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld EHRM 26 april 1979, appl. no. 6538/74, r.o. 62 (Sunday Times vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 15 mei 2014, appl. no. 19554/05, r.o. 74 (Taranenko vs. Rusland). Zie ook D.J. Harris, M. O’Boyle, E.P. Bates & C.M. Buckley, Harris, O’Boyle & Warbrick: Law of the European Convention on Human Rights, Oxford: Oxford University Press 2009, p. 350.
EHRM 28 januari 2003, appl. no. 44647/98, r.o. 80 (Peck vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM (GK) 22 april 2013, appl. no. 48876/08, r.o. 105 (Animal Defenders International vs. het Verenigd Koninkrijk). Zie ook J. Gerards, EVRM: Algemene beginselen, Den Haag: Sdu uitgevers 2011, p. 142. Er bestaat echter geen strikte noodzaak tot het kiezen van de minst bezwarende weg. ‘The central question as regards such measures is not, as the applicant suggested, whether less restrictive rules should have been adopted or, indeed, whether the State could prove that, without the prohibition, the legitimate aim would not be achieved. Rather the core issue is whether, in adopting the general measure and striking the balance it did, the legislature acted within the margin of appreciation afforded to it (James and Others v. the United Kingdom, § 51en Mellacher and Others v. Austria, § 53en and Evans v. the United Kingdom [GC], § 91, all cited above).’ Zie EHRM (GK) 22 april 2013, appl. no. 48876/08, r.o. 110 (Animal Defenders International vs. het Verenigd Koninkrijk).
EHRM 7 december 1976, appl. no. 5493/72, r.o. 50 (Handyside vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 26 april 1979, appl. no. 6538/74, r.o. 62 (Sunday Times vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 9 februari 1995, appl. no. 16616/90, r.o. 43-45 (Vereniging Weekblad Bluf! vs. Nederland) en EHRM 18 mei 2004, appl. no. 58148/00, r.o. 53 (Éditions Plon vs. Frankrijk).
EHRM (GK) 4 december 2008, NJCM-Bulletin 2009, 4, m.nt. Van der Staak (S. & Marper vs. het Verenigd Koninkrijk).
EHRM (GK) 4 december 2008, NJCM-Bulletin 2009, 4, r.o. 110, m.nt. Van der Staak (S. & Marper vs. het Verenigd Koninkrijk).
EHRM (GK) 4 december 2008, NJCM-Bulletin 2009, 4, r.o. 105, 112, 114, m.nt. Van der Staak (S. & Marper vs. het Verenigd Koninkrijk).
EHRM (GK) 4 december 2008, NJCM-Bulletin 2009, 4, r.o. 125, m.nt. Van der Staak (S. & Marper vs. het Verenigd Koninkrijk).
EHRM (GK) 4 december 2008, NJCM-Bulletin 2009, 4, r.o. 125, m.nt. Van der Staak (S. & Marper vs. het Verenigd Koninkrijk).
EHRM 2 juni 2009, appl. no. 36936/05 (Szuluk vs. het Verenigd Koninkrijk).
EHRM 2 juni 2009, appl. no. 36936/05, r.o. 51 (Szuluk vs. het Verenigd Koninkrijk).
EHRM 2 juni 2009, appl. no. 36936/05, r.o. 52 (Szuluk vs. het Verenigd Koninkrijk).
Al is de eis van dringende noodzakelijk lastig te combineren met de ideale snelheid waarmee de GKT wordt afgenomen om lekkage van informatie tegen te gaan. Zie daarover uitgebreid paragraaf 3 van hoofdstuk 3.
De margin of appreciation bepaalt de speelruimte die een staat bezit om een inbreuk op het recht op respect voor privacy legitiem vorm te geven. Dit geeft echter nog niet aan wanneer een inbreuk in een democratische samenleving noodzakelijk is. Een inbreuk op het recht op respect voor privacy is noodzakelijk wanneer het in een dwingende maatschappelijke behoefte voorziet.1 Een (enkel) legitiem doel (zoals besproken in de vorige subparagraaf) is onvoldoende. De inbreuk moet voorzien in een dwingende maatschappelijke behoefte. Of de inbreuk voorziet in een dwingende maatschappelijk belang wordt beoordeeld aan de hand van eventuele minder bezwarende alternatieven (er moet een beredeneerde en gebalanceerde afweging met relevante en voldoende redenen aan de inbreuk ten grondslag liggen)2 en dat de inbreuk op een effectieve wijze bijdraagt aan het vervullen van de maatschappelijke behoefte.3
Een voorbeeld van de beoordeling van de door de staat gemaakte belangafweging (fair balance) en eventueel minder bezwarende opties speelden een centrale rol in de zaak-S. & Marper.4 In Engeland, Wales en Noord-Ierland (als enige Raad van Europa-lidstaten5) werden lichaamsmateriaal en vingerafdrukken voor onbepaalde tijd opgeslagen in een databank, ook als de verdachten uiteindelijk niet werden vervolgd en zelfs wanneer zij waren vrijgesproken. Het EHRM overweegt dat het gebruik van technologische ontwikkelingen van essentieel belang zijn in de strijd tegen misdaad in de huidige tijd (en het afnemen, analyseren en opslaan van lichaamsmateriaal ter voorkoming en opsporing van strafbare feiten in een dwingende maatschappelijke behoefte voorziet), maar betwijfeld kan worden of de opslag van onder andere vrijgesproken verdachten bijdraagt aan de strijd tegen misdaad.6 Van doorslaggevende betekenis om de handelswijze van een deel van het Verenigd Koninkrijk in strijd met artikel 8 EVRM te achten, was de volledig ongedifferentieerde bevoegdheid.7 Hierdoor heeft de staat de dwingende maatschappelijke behoefte en de individuele, private belangen niet fair tegen elkaar gewogen.8
Een voorbeeld van de beoordeling van de effectiviteit van de genomen maatregel om te voorzien in de dwingende maatschappelijke behoefte is de zaak Szuluk.9 In deze zaak betrof de klacht het openen en inzien van alle schriftelijke communicatie met een arts die aan de klager in een penitentiaire inrichting werd gestuurd. In het concrete geval vond de directeur van de gevangenis het openen van de correspondentie noodzakelijk om illegale boodschappen te onderscheppen. Om verschillende redenen werd dit ineffectief bevonden door het EHRM. Ten eerste was er geen enkele aanleiding om te verwachten dat de medische correspondentie zou worden misbruikt. De klager correspondeerde al langer met dezelfde arts en had deze vertrouwelijkheid (voor zover bekend) nooit misbruikt.10 Ten tweede wilde de klager maar met één arts vertrouwelijk communiceren, haar adres en kwalificaties waren eenvoudig te verifiëren en de arts stemde toe om alle enveloppen te merken als vertrouwelijk.
‘The Court does not share the Court of Appeal’s view that the risk that the applicant’s medical specialist, whose bona fides was never challenged, might be ‘intimidated or tricked’ into transmitting illicit messages was sufficient to justify the interference with the applicant’s Article 8 rights in the exceptional circumstances of the present case.’11
Wat betreft (neuro)geheugendetectie betekent dit dat moet worden beoordeeld of de afname van de GKT een effectieve methode is om strafbare feiten op te sporen en dat de argumenten om met deze methode een inbreuk te maken op het recht op respect voor privacy relevant en voldoende zijn. Zoals hierboven is beschreven, acht het EHRM het gebruik van moderne, technische, wetenschappelijke methoden in het straf(proces)recht van essentieel belang in de hedendaagse criminaliteitspolitiek. In hoofdstuk 3, voornamelijk in paragraaf 3, is de effectiviteit van de GKT uitgebreid beschreven. Geconcludeerd werd dat de GKT zeker niet feilloos is af te nemen maar wel een effectieve methode is. Grofweg tachtig procent van de schuldigen en vijfennegentig procent van de onschuldigen wordt correct herkend. In S. & Marper viel het Hof voornamelijk over de onbegrensde toepassingsmogelijkheden (bij alle delicten, bij alle leeftijden, geen verwijdering na vrijspraak, onbepaalde opslagtermijn). Bij beperkte toepassing van de GKT (bijvoorbeeld alleen bij levensdelicten en in geval van dringende noodzakelijkheid, wanneer andere, minder vergaande opsporingsmethoden geen uitkomst bieden12) lijkt de afname van (neuro)geheugendetectie te voorzien in een dwingende maatschappelijke behoefte om ernstige criminaliteit aan te pakken.