Einde inhoudsopgave
Toerekening van kennis aan rechtspersonen (O&R nr. 98) 2017/8.6.2
8.6.2 Rvc als vertegenwoordiger van de rechtspersoon
mr. B.M. Katan, datum 01-01-2017
- Datum
01-01-2017
- Auteur
mr. B.M. Katan
- JCDI
JCDI:ADS600771:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Dortmond e.a. 2013, p. 598: “Bij benoeming vertegenwoordigt de benoemende instantie de vennootschap.”
Wbtr: art. 2:11 lid 8 BW.
Dortmond e.a. 2013, p. 512.
Wbtr: art. 2:9 lid 5 BW.
Dortmond e.a. 2013, p. 505, nemen aan dat art. 2:130 lid 4 BW/2:240 lid 4 BW dit toelaat.
Aldus Van Andel in een syllabus van najaar 2006 ten behoeve van een cursusdag voor de Grotius specialisatieopleiding insolventierecht op 7 maart 2007, p. XV-23 en 24. Bij mijn weten heeft hij dit standpunt niet in een openbare publicatie verkondigd.
Zie over de mogelijkheid om een besluit van een orgaan te vernietigen wegens dwaling: noot 621.
267. Gevallen waarin de rvc de rechtspersoon vertegenwoordigt of kan vertegenwoordigen,1 zijn:
de schorsing van een bestuurder (art. 2:57 lid 3 BW/2:147 BW/2:257 lid 1 BW);2
het verlenen van de opdracht tot onderzoek van de jaarrekening aan de accountant indien de algemene vergadering daar niet toe overgaat, evenals het intrekken van een (door de rvc of het bestuur) verleende opdracht (art. 2:393 lid 2 BW);
het (tezamen met het bestuur) ontslaan van vorige aandeelhouders van verdere aansprakelijkheid voor volstorting van aandelen na overdracht of toedeling van een niet-volgestort aandeel (art. 2:90/2:199 lid 1 BW);
het indienen van een verzoek tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon (art. 2:346 lid 1 sub d en lid 2 BW);
het ontslag van een bestuurder van een BV, indien statuten die bevoegdheid aan de rvc toekennen;3
het vaststellen van de bezoldiging van een bestuurder, indien statuten die bevoegdheid aan de rvc toekennen (art. 2:135 lid 4/245 lid 1 BW);
het instellen van een claw back-vordering (terugvordering van een bonus) bij de NV en de financiële onderneming (art. 2:135 lid 8 BW en art. 2:53a/245 lid 2 jo 2:135 lid 8 BW);
het verrichten van rechtshandelingen voor de coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij bij tegenstrijdig belang tussen de rechtspersoon en een of meer bestuurders (art. 2:57 lid 4 BW);4
het nemen van een bestuursbesluit met directe externe werking wanneer alle bestuurders van de NV of BV een tegenstrijdig belang hebben (art. 129/239 lid 6 BW);5
gevallen waarin de statuten vertegenwoordigingsbevoegdheid toekennen aan de rvc, bijvoorbeeld de bevoegdheid om een procedure te starten waarin een bestuurder uit hoofde van art. 2:9 of 2:216 BW aansprakelijk wordt gesteld.6
Bij de uitoefening van deze bevoegdheden dient de kennis van de rvc als regel te worden toegerekend aan de rechtspersoon.
268. Uit de rechtspraak zijn mij geen voorbeelden bekend van gevallen waarin de kennis van de rvc bij de uitoefening van deze bevoegdheden een rol speelde, maar die zijn wel denkbaar. Zo zal een bestuurder die van malversaties is beschuldigd en wordt geschorst voor de duur van een onderzoek naar die malversaties door een onafhankelijke derde (geval i), zijn schorsing mogelijk willen aanvechten op de grond dat de rvc – en daarmee de vennootschap – weet dat de malversaties zijn gepleegd door een ander. Bij de opdracht aan de accountant (geval ii) is voorstelbaar dat de curator van een failliete rechtspersoon de accountant aanspreekt uit hoofde van wanprestatie wegens het misleidende karakter van de jaarrekening. Een beroep van de accountant op eigen schuld van de rechtspersoon (6:101 BW) zou kunnen stranden op het feit dat het bestuur de fouten in de jaarrekening wel kende, maar niet de rvc die de rechtspersoon vertegenwoordigde bij de verlening van de opdracht.7 Ook voor de uitleg van de overeenkomst tussen accountant en rechtspersoon kan de kennis van de rvc relevant zijn. Ten aanzien van het ontslag van aansprakelijkheid van vorige aandeelhouders (geval iii) zou kunnen worden gedacht aan het geval dat de vennootschap zich op dwaling wil beroepen, omdat zij bij een juiste kennis van de feiten geen ontslag van aansprakelijkheid zou hebben verleend.8