Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/5.8.1
5.8.1 De civielrechtelijke aard van de overeenkomst
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS594114:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 2.5.2.
Zie par. 5.9.2.
De overeenkomst van opdracht is geregeld in art. 7:400-7:413 BW. In een overeenkomst van opdracht verbindt de opdrachtnemer zich jegens zijn opdrachtgever om, anders dan op grond van een arbeidsovereenkomst, werkzaamheden te verrichten die in iets anders bestaan dat het tot stand brengen van een werk van stoffelijke aard, het bewaren van zaken, het uitgeven van werken of het vervoeren of doen vervoeren van personen of zaken (art. 7:400, lid 1, BW). De overeenkomst van lastgeving is een bijzondere vorm van opdracht, waarbij de lasthebber zich jegens de lastgever verbindt om voor rekening van die lastgever een of meer rechtshandelingen te verrichten (art. 7:414, lid 1, BW). De overeenkomst van lastgeving is geregeld in art. 7:414-7:424 BW.
Art. 7:400, lid 2, BW: afwijking is niet mogelijk wanneer dit voortvloeit uit de wet, de inhoud of aard van de overeenkomst van opdracht of van een andere rechtshandeling, of de gewoonte.
Zo bevat het Bupw dwingend een verplichting om een bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen op te nemen (art. 13, lid 2, sub e, Bupw). Ook moet het pensioenfonds adequate rapportage-afspraken opnemen in de overeenkomst (art. 14, lid 4, Bupw. Zie ook Stb. 2014, 569, p. 23). De aanwijzingsbevoegdheid en de informatieplicht uit art. 7:402 BW en art. 7:403 BW zijn daarentegen van regelend recht.
Art. 13, lid 2, sub e, Bupw.
Art. 14, lid 4, Bupw. Zie ook de toelichting op art. 13, lid 2, sub b, Bupw (Stb. 2014,569, p. 23).
De zorgplicht van een goed opdrachtnemer is vastgelegd in art. 7:401 BW, die van een zorgvuldig schuldenaar in art. 6:27 BW. Zie ook Asser/Tjong Tjin Tai 7-VI 2014, nr. 93.
Zie Asser/Tjong Tjin Tai 7-VI 2014, nr. 93.
Zie Busch 2014, p. 73-75.
Zie: HR 23 mei 1997, NJ 1998, 192, m.nt. Van Zeben (Rabobank/Everaars) en HR 26 juni 1998, NJ 1998, 660, m.nt. Van Zeben (Rabobank/Van de Klundert).
Deze bewoording is, geparafraseerd, ontleend aan Van Dijk 2004, p. 43. Zie voorts ook: Rutten 2012; Kortmann & Maatman 2005, p. 315-316; Van der Korst 2003, p. 658-660; Raaijmakers 2003, p. 13-32.
Overweging 31, MiFID. Dit principe is vervolgens op tal van plaatsen uitgewerkt in zowel de MiFID als de Uitvoeringsrichtlijn MiFID.
Doorwerking kan plaatsvinden via de open normen in het privaatrecht, maar ook doordat een schending van publiekrechtelijke regels een handeling in strijd met een wettelijke plicht is die een onrechtmatige daad kan opleveren. Zie verder: Van Eersel 2014; Cortenraad 2012; Cherednychenko 2012; Bierens 2012; Cherednychenko 2010; Van Baalen 2010, p. 1019.
Art. 19, lid 1, MiFID.
Zie par. 4.4.
Het bestaan van een zorgplicht creëert uit zichzelf een aansprakelijkheid van de vermogensbeheerder voor de eventuele niet-nakoming ervan. Het is echter ook gebruikelijk dat de omvang van de aansprakelijkheid wordt beperkt. Zie par. 5.17.
De uitbestedingsregels zijn publiekrechtelijk van aard. Ze zijn immers opgenomen in de Pensioenwet en de Wft. De uitbestedingsovereenkomst die een uitbestedende en een dienstverlenende onderneming met elkaar sluiten, is echter civielrechtelijk van aard. Het is ook daar, in die civielrechtelijke verhouding, waar de uitbesteder een belangrijk deel van de “control” moet organiseren en, zo nodig, afdwingen.
Een uitbestedingsovereenkomst is in Nederlandse verhoudingen nagenoeg altijd een overeenkomst van opdracht.1 In internationale verhoudingen kan op de uitbestedingsovereenkomst ook een ander recht dan Nederlands recht van toepassing zijn.2 Dat kan, naar dat recht, ook tot andere kwalificaties van de uitbestedingsovereenkomst leiden. Ik zal in principe uitgaan van de toepasselijkheid van Nederlands recht.
Een vermogensbeheerovereenkomst is naar Nederlands recht een gemengde overeenkomst. Zowel de bepalingen inzake overeenkomst van opdracht als die inzake lastgeving zijn van toepassing.3 De bepalingen in het Burgerlijk Wetboek zijn over het algemeen van regelend recht.
Van deze bepalingen kan in beginsel bij overeenkomst worden afgeweken.4 Van dwingendrechtelijke bepalingen bij of krachtens de Pensioenwet kan het fonds (natuurlijk) niet afwijken.5 Zo bevat het Bupw dwingend een verplichting om een bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen op te nemen.6 Ook moet het pensioenfonds adequate rapportage-afspraken opnemen in de overeenkomst.7 De aanwijzingsbevoegdheid en de informatieplicht uit het Burgerlijk Wetboek zijn daarentegen van regelend recht.8
Van belang is nog de zorgplicht van een goed opdrachtnemer of, algemener, die van een zorgvuldig schuldenaar.9 De opdrachtnemer moet zich “als goed huisvader” en als “redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar” gedragen. Professionele dienstverleners, zoals vermogensbeheerders, moeten instaan voor in ieder geval een bepaalde kwaliteit van hun werk.10
Er bestaat een uitgebreide jurisprudentie over de zorgplicht van vermogensbeheerders jegens particulieren.11 De kern van de zaak is dat de financiële onderneming in de onderlinge verhouding met de particulier, als “bij uitstek deskundige partij” heeft te gelden en dat daarom op hem een “bijzondere zorgplicht” rust.12 Over de zorgplicht van een vermogensbeheerder jegens professionele beleggers, zoals pensioenfondsen, heeft de Hoge Raad zich nog niet uitgelaten. Jegens zulke professionele dienstverleners reikt de zorgplicht in ieder geval minder ver. In de onderlinge verhouding jegens een professionele cliënt is de vermogensbeheerder immers niet meer “de bij uitstek deskundige partij”. Toch mag men aannemen dat de vermogensbeheerder in veel gevallen deskundiger is dan zijn cliënt. Desalniettemin mag de vermogensbeheerder op zijn beurt verwachten dat een professionele belegger, door zijn activiteiten, over een zodanige deskundigheid beschikt, dat hij zich zelfstandig een oordeel kan vormen omtrent de beleggingen.13 Deze aanpak, waarbij de zorgplicht jegens niet-professionele beleggers verder gaat dan die jegens professionele beleggers, wordt ook gevolgd in de MiFID.14
De zorgplicht van een vermogensbeheerder is in grote mate ingevuld in de Wft, op grond van de bepalingen in de MiFID. Deze publiekrechtelijke bepalingen werken door in de civiele zorgplicht van de vermogensbeheerder.15 Volledig ingevuld is die zorgplicht niet: ook de MiFID voorziet met een “loyaliteitsverplichting” in een open norm.16
Om bij een uitbesteding “in control” te zijn, kan een pensioenfonds er niet mee volstaan te vertrouwen op de zorgplicht die op zijn vermogensbeheerder rust. De zorgplicht ziet (enkel) op een minimale verplichting van de vermogensbeheerder. Het pensioenfonds kan behoefte hebben aan een verdergaande inspanning van zijn dienstverlener. Het staat hem vrij om die verdergaande inspanning te bedingen.17 Belangrijker is dat de open norm “zorgplicht” een wel erg zwakke basis is om van “control” te spreken. Hoe preciezer de verplichtingen voor de vermogensbeheerder worden ingevuld, hoe meer “control” het pensioenfonds verwerft. Bovendien ziet de zorgplicht enkel op de uitvoering van de werkzaamheden waarop de overeenkomst ziet. Andere afspraken die men in een overeenkomst pleegt op te nemen, zoals aansprakelijkheid en opzeggingsbevoegdheden, dekt de zorgplicht niet of niet volledig.18