De positie van de vennootschap onder firma
Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/10.2.1:10.2.1 De VOF en de Awb
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/10.2.1
10.2.1 De VOF en de Awb
Documentgegevens:
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS390644:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. CBB 21 september 1990, AB 1991/98 (Firma gebroeders Kerkhof/Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij).
Zie bijv. ABRvS 7 april 1981, AB 1981/405 (Maatschap Elvago-Werim/Gemeenteraad Breda).
ABRvS 3 januari 1985, AB 1986/60 (Moens e.a./Gemeenteraad Maastricht).
Kamerstukken II 1988/89, 21221, 3, p. 33.
Kamerstukken II 1988/89, 21221, 3, p. 34.
ABRvS 22 oktober 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG1144, r.o. 2.1.1, JB 2009/4 (Recycling Netwerk).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Art. 7 lid 1 van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen bepaalde dat ‘de natuurlijke of rechtspersoon’ die door een beschikking rechtstreeks in zijn belang is getroffen, beroep kan instellen bij de Afdeling rechtspraak van de Raad van State. Vanwege het ontbreken van rechtspersoonlijkheid bij de VOF, was zij door de bewoordingen ‘natuurlijke of rechtspersonen’ strikt genomen uitgesloten van beroep, terwijl zij bijvoorbeeld wel in haar belangen kon worden geschaad door een besluit,1 een aanvraag mocht indienen2 en geconfronteerd kon worden met bestuursrechtelijke sancties. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) repareerde de kennelijk onwenselijke situatie dat een VOF niet-ontvankelijk moest worden verklaard met de overweging dat een door een VOF ingediend bezwaar- of beroepschrift geacht moet worden mede te zijn ingediend door de vennoten, zoals deze vermeld staan in het handelsregister, handelend onder de betrokken firmanaam.3 Deze reparatie is sinds de invoering van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overbodig geworden; art. 1:2 lid 1 Awb bepaalt namelijk dat een belanghebbende is ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’. Door de term ‘degene’ te bezigen in plaats van ‘de persoon’ wordt verzekerd dat ook de VOF als zodanig in het gehele bestuursrecht als belanghebbende aangemerkt kan worden.4 In de memorie van toelichting bij art. 1:2 Awb kan men hierover het volgende lezen:5
‘Naast de reeds genoemde bestuursorganen kan gedacht worden aan vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid, die als zodanig bij voorbeeld een vergunning kunnen aanvragen. Door het vergunningvereiste van bij voorbeeld de milieuwetten, in samenhang met artikel 51, eerste en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (inhoudende dat strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen, rechtspersonen, vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid, maatschappen en doelvermogens) wordt duidelijk dat dergelijke entiteiten belanghebbende kunnen zijn. Zie in dit verband bijvoorbeeld ook artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de AWR, waarin wordt bepaald dat onder «lichamen» worden verstaan: rechtspersonen, maat- en vennootschappen, andere verenigingen van personen, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens.’
Aan andere entiteiten dan natuurlijke of rechtspersonen wordt, om belanghebbende te kunnen zijn, voorts de eis gesteld dat zij herkenbaar zijn in het rechtsverkeer.6 Omdat de VOF onder een gemeenschappelijke naam naar buiten optreedt, voldoet zij aan deze herkenbaarheidseis en heeft zij in het gehele bestuursrecht een zelfstandige positie. Zij kan dus als zodanig (als entiteit) optreden. Ook dient een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen van een VOF mee te nemen in zijn belangenafweging.