Einde inhoudsopgave
Het uniciteitsbeginsel in het goederenrecht (O&R nr. 92) 2016/8.4.1
8.4.1 Aandeel in het verzameldepot uit de Wge
V. Tweehuysen, datum 31-01-2016
- Datum
31-01-2016
- Auteur
V. Tweehuysen
- JCDI
JCDI:ADS459291:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Schim 2006, p. 121. Zie ook Rank-Berenschot 1998b, p. 161-162.
Uiteraard niet gebruikmakend van die term. Schim 2006, p. 121-122.
Uniken Venema 2003, p. 37-38.
Vgl. ook de conclusie van Rank-Berenschot onder HR 22 mei 2015, ECLI:NL:PHR:2015:54, 2.15.
Asser/Perrick 3-V 2015, nr. 31; Wammes 1988, p. 53.
Ook in de literatuur wordt hier niet expliciet aandacht aan besteed.
Schim 2006, p. 116.
Schim 2006, p. 124.
Zie ook Schim 2006, p. 125 en 126; de Wge beoogt juist de gedachte dat deelgenoten gezamenlijk rechten uitoefenen zo veel mogelijk uit te bannen, en p. 60.
Dat wil zeggen dat het verzameldepot wordt verdeeld en de toegedeelde effecten aan de gewezen deelgenoot worden overgedragen, zie Schim 2006, p. 84.
Schim 2006, p. 82.
Heemskerk & Schim 2009; Naber 2011; Polderman 2009; Tieskens 2011.
Schim 2006, p. 24; Naber & Schuijling 2012.
Schim 2006, p. 127-128.
212. In zijn proefschrift over de goederenrechtelijke aspecten van de Wge bespreekt Schim een mogelijke uitzondering op het uniciteitsbeginsel. Hij noemt het aandeel in het verzameldepot in de zin van de Wge een “samengesteld vermogensrecht.” Schim lijkt er bij een dergelijk aandeel – anders dan bij art. 3:191 BW – van uit te gaan dat daadwerkelijk sprake is van een “aandeel in de gehele gemeenschap”. Hij stelt: “Anders dan het geval is bij een gemeenschap in de zin van titel 3.7 BW kan een verzameldepot wel bestaan uit verschillende goederen.”1 In zekere zin kan ook de bijzondere gemeenschap in de zin van titel 3.7 BW bestaan uit verschillende goederen. Art. 3:191 BW, dat verwijst naar het “aandeel in de gehele gemeenschap” wijst hierop. Zoals besproken, betreft het hier echter strikt genomen evenzoveel aandelen als goederen binnen de gemeenschap en dus, zo zou gezegd kunnen worden, evenzoveel gemeenschappen als er zich goederen in “de gehele gemeenschap” bevinden. Daar doelt Schim op.2
Ik zie echter niet in, in welke zin het aandeel in het verzameldepot verschilt van het aandeel in de gehele gemeenschap uit art. 3:191 BW. Ook het aandeel in het verzameldepot bestaat in feite uit een samenstel van aandelen in de afzonderlijke effecten, dat als geheel wordt behandeld.3 Schim geeft aan dat op grond van art. 16 lid 1 Wge de deelgenoot wel kan beschikken over zijn aandeel in het verzameldepot (het aandeel in de gehele gemeenschap), maar dat ingevolge lid 2 van dat artikel de deelgenoot niet bevoegd is te beschikken over zijn aandeel in een tot het verzameldepot behorend goed afzonderlijk.4 Dit laatste is bij de bijzonder gemeenschap terug te zien in art. 3:190 BW. Tot zover stemmen de bijzondere gemeenschap en de gemeenschap die zich voordoet bij het verzameldepot dus overeen.5
Maar doet zich hier wellicht toch, op een andere grond, een uitzondering op het uniciteitsbeginsel voor? De deelgenoten in de bijzondere gemeenschap zijn in beginsel tezamen bevoegd over de afzonderlijke goederen te beschikken (art. 3:189 lid 2 jo. 3:170 lid 3 BW).6 In die zin behouden bij de bijzondere gemeenschappen de afzonderlijke goederen hun betekenis – in tegenstelling tot wat we bij de splitsing van meerdere goederen tezamen in appartementsrechten hebben gezien. Is dit bij hetverzameldepot ook het geval?
Vreemd genoeg bevat de Wge geen uitdrukkelijke bepaling over beschikkingsbevoegdheid over de goederen in het verzameldepot.7 Op grond van de regeling van gemeenschap uit titel 3.7 BW zouden daarom ingevolge art. 3:170 lid 3 BW de deelgenoten tezamen bevoegd zijn over het goed te beschikken. De intermediair is echter ingevolge art. 11 Wge belast met het beheer over het verzameldepot en kan tegenover derden de rechten van de deelgenoten uitoefenen, indien dit voor een goed beheer dienstig is. Schim zegt hierover:
“Enkele van de (rechts)handelingen die een aangesloten instelling [lees inmiddels: intermediair] verricht, zijn beschikkingshandelingen. De Wge verleent in art. 11 Wge aan de aangesloten instelling de bevoegdheid om deze in eigen naam te verrichten. Dit is niet bijzonder. Ons burgerlijk recht kent meer gevallen waarin een bevoegdheid wordt toegekend om in eigen naam te beschikken over het recht van een ander.”8
En:
“Zo kan een deelgenoot in een verzameldepot op grond van art. 16 lid 2 Wge niet beschikken over (zijn aandelen in) de effecten die in een verzameldepot zijn opgenomen. De enigen die over de effecten kunnen beschikken, zijn de aangesloten instellingen en Euroclear Nederland. De aangesloten instellingen en Euroclear Nederland zijn immers bevoegd om in het kader van het beheer de rechten van de deelgenoten uit te oefenen, waaronder begrepen het recht te beschikken over de effecten.”9
Onder het beheer uit art. 11 Wge moet dus ook beschikken worden begrepen.10 Kennelijk oefent de intermediair dus de beschikkingsbevoegdheid over de goederen in het verzameldepot met uitsluiting van de deelgenoten uit. Dit sluit ook aan bij de gang van zaken bij uitlevering van effecten uit het depot. Niet de gezamenlijke deelgenoten kunnen uitleveren; het is de intermediair die ingevolge art. 26 lid 1 Wge overgaat tot uitlevering van het effect.11 Althans, indien uitlevering nog mogelijk is.12 Uitlevering is sinds de wijziging van de Wge op 1 januari 2011 namelijk nog maar in een beperkt aantal gevallen mogelijk, zie art. 26 lid 3 en 4 Wge. Met de wetswijziging is een verdergaande dematerialisatie van het girale effectenverkeer beoogd. Om die reden is de uitlevering van effecten in beginsel onmogelijk gemaakt.13
Dat de deelgenoten niet over de afzonderlijke goederen kunnen beschikken, wil nog niet zeggen dat aan de afzonderlijke goederen in het verzameldepot geen zelfstandige betekenis meer toekomt. De intermediair is immers bevoegd om over de goederen te beschikken. Anderzijds, de intermediair is daartoe wel bevoegd (art. 11 Wge) maar uitlevering is in de meeste gevallen onmogelijk geworden (art. 26 Wge), waardoor feitelijk weinig tot geen betekenis meer toekomt aan de afzonderlijke effecten die zich in het verzameldepot bevinden. Dat is ook juist de bedoeling van de (vernieuwde) Wge. Het doel is dematerialisatie van effecten, waarbij men slechts nog een tegoed op een effectenrekening heeft. De gemeenschapsconstructie dient slechts ter bescherming van de beleggers: doordat de effecten toebehoren aan de deelgenoten gezamenlijk, vallen zij buiten het vermogen van de intermediair.14
213. Ik kom tot de conclusie dat zich hier inderdaad, zoals Schim in andere bewoordingen al stelde, een uitzondering op het uniciteitsbeginsel voordoet: voor de deelgenoot heeft het afzonderlijke, aan zijn aanspraak op de intermediair ten grondslag liggende effect geen betekenis meer. Waarover hij kan beschikken en in feite in het effectenverkeer ook over beschikt, is het aandeel in de gehele gemeenschap, dat hij giraal kan leveren en geleverd krijgt (art. 17 Wge). Slechts bij uitlevering gaat het afzonderlijke effect een rol spelen, maar dan is juist de gemeenschap met betrekking tot dat effect beëindigd. Bovendien zal uitlevering zich steeds minder vaak voordoen. Dat hier zich een uitzondering op het uniciteitsbeginsel voordoet, levert geen problemen op, juist omdat de Wge een zo van het gewone goederenrecht afwijkende regeling inhoudt, waarbij het met name draait om de girale aanspraken en niet meer om de afzonderlijke, daaraan ten grondslag liggende effecten in het verzameldepot.15