Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/8.8
8.8 Enquêterecht
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS387766:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 18 juni 2012 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van het recht van enquête (Kamerstukken 32 887, Stb. 2012, 274), inwerkingtreding op 1 januari 2013 (Stb. 2012, 305).
Kamerstukken II 2010/11, 32 887, nr. 3, p. 27 (MvT). Zie ook Kamerstukken II 2011/12, 32 887, nr. 6, p. 13 (NV II).
Hof Amsterdam (OK) 22 december 1983, NJ 1985, 383, m.nt. Ma (Ogem).
HR 30 maart 2012, LJN BV1435, NJ 2012, 423, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2012, 142, m.nt. Winters (Hermes c.s./ASMI). Bij de toetsing van de ontvankelijkheid is cassatie gaat het er ingevolge art. 426 lid 1 Rv om of de verzoeker in de procedure voor de OK is verschenen, r.o. 4.1.2.
Voor dit alles: Kamerstukken II 2010/11, 32 887, nr. 3, p. 15-16 (MvT).
Zie Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 744. Door de Wet van 18 juni 2012 tot wijziging van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de aanpassing van het recht van enquête (Kamerstukken 32 887, Stb. 2012, 274) zal art. 2:346 aanhef sub c BW naar art. 2:346 lid 1 sub e BW worden verplaatst. Deze wet zal inwerking treden op 1 januari 2013 (Stb. 2012, 305).
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3, p. 114 (MvT) en Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 6, p. 14 (NV II).
Geerts 2004, p. 55.
De heersende opvatting in de literatuur onder het oude recht was dat de bevoegdheid tot het indienen van een enquêteverzoek ook toekomt aan de houder van niet-bewilligde certificaten. Zie Van Zeben 1977, p. 1476-1477; Van den Ingh 1991, p. 247-256; Geerts 2004, p. 56; P.G.F.A. Geerts, Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:346 BW, aant. 2.1, Deventer: Kluwer; Sanders &Westbroek 2005, p. 313; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 671 en 738 en Kamerstukken II 2010/11, 32 887, nr. 3, p. 28 (MvT). Dat geldt aldus ook na invoering van de flex-BV voor de houder van certificaten zonder vergaderrecht. Anders: Van den Ingh 2008, p. 8, is er ‘minder gelukkig’ mee dat de certificaathouder zonder vergaderrecht ook het recht van enquête toekomt. Zie ook Van den Ingh, 2004, p. 227 (en eerder in andere zin Van den Ingh 1991, p. 254-256).
HR 6 juni 2003, LJN AF9440, NJ 2003, 486, m.nt. Ma, JOR 2003, 161, m.nt. Josephus Jitta (Scheipar), Hof Amsterdam (OK) 17 februari 2009, JOR 2009, 19, m.nt. G. van Solinge (Butôt).
HR 10 september 2010, LJN BM6077, NJ 2010, 665, m.nt. P. van Schilfgaarde en S. Perrick, JOR 2010, 337, m.nt. M. Brink (Butôt), r.o. 3.6.3.
Hof Amsterdam (OK) 7 februari 2012, LJN BV7329,JOR 2012, 143, m.nt. A. Doorman, r.o. 3.5 en 3.6.
HR 8 april 2011, LJN BP4943, NJ 2011, 338, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2011, 178, m.nt. A. Doorman (vervolg op Hof Amsterdam (OK) 5 november 2009, JOR 2010, 10, m.nt. Doorman).
Geerts 2004, p. 87-88, is terughoudend de kring van enquêtegerechtigden uit te breiden. De bevoegdheid dient toe te komen aan een beperkte kring van belanghebbenden, die nauw bij de vennootschap betrokken is. Daarmee wordt (ook) voorkomen dat de toegang tot de OK dichtslibt.
Kamerstukken II 1963/64, 7753, nr. 3, p. 7 (MvT).
Kamerstukken II 1999/2000, 26 885, nr. 3, p. 59 (MvT).
HR 25 oktober 1991, NJ 1992, 149, m.nt. Ma, r.o. 4.2.
In gelijke zin: Leijten 2002, p. 66.
Boekman 1996, p. 10-11; Asser 1997, p. 59-61 en Leijten 2002, p. 67 en 69-70. Boekman stelt dat het eigen belang van de belanghebbende bestaat uit hoofde van zijn functie of omdat een eigen recht van de belanghebbende geschonden dreigt te worden.
HR 6 juni 2003, LJN AF9440, NJ 2003, 486, m.nt. Ma, JOR 2003, 161, m.nt. Josephus Jitta (Scheipar).
r.o. 3.3.2.
r.o. 3.3.3.
Zie hierover ook sub 2.7 tot en met 2.10 van de conclusie A-G onder HR 6 juni 2003,LJN AF9440, NJ 2003, 486, m.nt. Ma,JOR 2003, 161, m.nt. Josephus Jitta (Scheipar). Het begrip ‘feitelijke betrokkenheid’ komt ook naar voren in Kamerstukken II 1999/2000, 26 885, nr. 3, p. 59 (MvT).
Hof Amsterdam (OK) 27 mei 1999, NJ 1999, 487,JOR 1999, 121, m.nt. L.L.M. Prinsen (Gucci), r.o. 3.4. Van den Ingh 2004, p. 229, wijst daarbij op de door Maeijer ontwikkelde kringenleer. Hij stelt dat in beginsel de bewilligde certificaathouder als belanghebbende geldt en dat de niet-bewilligde certificaathouder, die niet tot de kring van betrokkenen ex art. 2:8 BW behoort, zal moeten aantonen dat hij een specifiek en concreet nadeel heeft geleden of dreigt te lijden. Geerts 2004, p. 253, stelt dat gelet op de ruime definitie van het begrip ‘belanghebbende’ in de Scheipar-beschikking iedere certificaathouder als belanghebbende te beschouwen is. Zie ook Leijten 2002, p. 66-67.
HR 23 maart 2012, LJN BV1056, NJ 2012, 393, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2012, 141, m.nt. M.W. Josephus Jitta en T. Barkhuysen (E-Traction).
r.o. 4.1.3. Bij wijziging van het enquêterecht per 1 januari 2013 is niet voorzien in wijziging van art. 2:355 lid 1 BW, zodat de overweging van de Hoge Raad ook na 1 januari 2013 relevant blijft.
Vernietiging van besluiten kan niet als voorlopige voorziening in de zin van art. 2:349a lid 2 BW worden verzocht. Zie Geerts 2004, p. 266.
Bulten 2011, p. 326-327, pleit voor en beveelt aan de toevoeging van de gedwongen aandelenoverdracht aan de voorzieningen van art. 2:356 BW.
Zie in meer algemene zin over de certificaathouder en het enquêterecht: Van den Ingh 2004, meer in het bijzonder p. 230-231, en Van den Ingh 2008, in het bijzonder p. 9.
Kamerstukken I 2011/12, 31 058 en 32 426, nr. C, p. 14 (MvA I).
Bier spreekt in dit kader van een ‘zorgvuldiger dividendbeleid’ of ‘betere dividendpolitiek’. Bier 2003, p. 74 en 75.
Aard van het middel
Art. 2:345 lid 1 BW bepaalt onder meer dat op schriftelijk verzoek van degenen die krachtens art. 2:346 en 2:347 BW daartoe bevoegd zijn, de OK een of meer personen kan benoemen tot het instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon, hetzij in de gehele omvang daarvan, hetzij met betrekking tot een gedeelte of een bepaald tijdvak. Zoals uit hoofdstuk 7 volgt, passeren in het enquêterecht vele onderwerpen de revue, bijvoorbeeld het verstrekken van onvoldoende informatie, een impasse in de besluitvorming, belangenverstrengeling of tegenstrijdige belangen, (onredelijke) dividendpolitiek en het onvoldoende rekening houden met de belangen van minderheidsaandeelhouders of certificaathouders. In hoofdstuk 7 zijn deze onderwerpen aan de orde gekomen en volgde dat deze onderwerpen ook voor de kapitaalverschaffer zonder stemrecht relevant kunnen zijn.
Welke kapitaalverschaffer zonder stemrecht komt het recht van enquête toe?
Per 1 januari 2013 zal het enquêterecht worden gewijzigd.1 Er wordt een onderscheid gemaakt tussen kleine vennootschappen en grote of beursgenoteerde vennootschappen. De grens van dat onderscheid ligt bij een geplaatst kapitaal van € 22,5 miljoen. Tot het indienen van een enquêteverzoek bij kleine vennootschappen geldt indien het betreft een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid met een geplaatst kapitaal van maximaal € 22,5 miljoen: een of meer houders van aandelen of van certificaten van aandelen, die alleen of gezamenlijk ten minste een tiende gedeelte van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen of rechthebbenden zijn op een bedrag van aandelen of certificaten daarvan tot een nominale waarde van € 225.000 of zoveel minder als de statuten bepalen (art. 2:346 lid 1 sub b BW). Tot het indienen van een enquêteverzoek bij grote of beursgenoteerde vennootschappen geldt: indien het betreft een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid met een geplaatst kapitaal van meer dan € 22,5 miljoen: een of meer houders van aandelen of van certificaten van aandelen, die alleen of gezamenlijk ten minste een honderdste gedeelte van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigen of, indien de aandelen of certificaten zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt of een multilaterale handelsfaciliteit, als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht of een met een gereglementeerde markt of multilaterale handelsfaciliteit vergelijkbaar systeem uit een staat die geen lidstaat is, ten minste een waarde vertegenwoordigen van € 20 miljoen volgens de slotkoers op de laatste handelsdag voor indiening van het verzoek, of zoveel minder als de statuten bepalen (art. 2:346 lid 1 sub c BW).
Met andere woorden: voor kleine BV’s is de kapitaaleis ongewijzigd gebleven.2 Niettemin kan in de statuten een lagere eis worden opgenomen (“of zoveel minderals de statuten bepalen”). Aan de ontvankelijkheidsvereisten van art. 2:346 BW moet zijn voldaan op het moment van indiening van het verzoek.3 De beoordeling van de ontvankelijkheid op grond van de kapitaaleis vindt alleen in eerste aanleg plaats.4
Het gewijzigde enquêterecht voorziet ook in de mogelijkheid dat de rechtspersoon (als bedoeld in art. 2:344 BW) zelf een verzoek tot enquête indient (art. 2:346 lid 1 sub d BW). Als reden noemt de wetgever dat er behoefte kan zijn aan een onderzoek indien sprake is van een patstelling in de algemene vergadering, waardoor wezenlijke besluiten niet kunnen worden genomen, of een patstelling tussen het bestuur en de algemene vergadering die beide een wezenlijk verschillend beleid voorstaan als gevolg waarvan het belang van de vennootschap in het geding zou kunnen komen. Ook het gedrag van een individuele aandeelhouder kan aanleiding geven voor een enquête indien dat gedrag de gang van zaken binnen de vennootschap voldoende sterk raakt. Daaronder valt ook gedrag buiten de (jaarlijkse) algemene vergadering. Ook het gedrag van een vorig bestuur of een ander orgaan van de rechtspersoon kan onder het enquêteverzoek vallen. De wetgever voegt er nog aan toe dat het oordeel van de OK over een bepaald aandeelhoudersbesluit, het gedrag van de algemene vergadering of een individuele aandeelhouder, geen antwoord geeft op de aansprakelijkheidsvraag. Dat zal in een aparte procedure, waarbij het gedrag van de desbetreffende aandeelhouder centraal staat, moeten worden vastgesteld. In die procedure is onder meer relevant de omvang van het kapitaalbelang en het stemgedrag, de vraag of de aandeelhouder handelt binnen de grenzen van de redelijkheid en billijkheid en de vraag of hij handelt als feitelijke beleidsbepaler.5
De mogelijkheid dat de rechtspersoon een enquêteverzoek kan indienen is naar mijn mening een verbetering van de rechtspositie van de kapitaalverschaffer zonder stemrecht.
Daarnaast zijn op grond van art. 2:346 lid 1 sub e BW degenen, aan wie daartoe bij de statuten of bij overeenkomst met de rechtspersoon de bevoegdheid is toegekend bevoegd een verzoek tot enquête in te dienen.6
Art. 2:346 BW spreekt van ‘aandeelhouders’, zodat het enquêterecht toekomt aan de stemrechtloze aandeelhouder7 en de houder van aandelen waarvan het stemrecht is overgedragen aan de vruchtgebruiker of pandhouder.8 Op grond van art. 2:24d lid 2 BW tellen stemrechtloze aandelen bij het bepalen van de genoemde drempel of kapitaaleis mee.
Het enquêterecht komt ook toe aan houders van certificaten van aandelen, ongeacht of aan de certificaten vergaderrecht is toegekend.9 De economisch rechthebbende op certificaten wordt gelijkgesteld met de certificaathouder ex art. 2:346 aanhef sub b BW.10 Houders van certificaten van aandelen die behoren tot een onverdeelde nalatenschap hebben als kapitaalverschaffer een eigen economisch belang bij de certificaten. Zij zijn gelijk te stellen met de in art. 2:346 lid 1 onder b BW bedoelde certificaathouders en zijn derhalve bevoegd tot het indienen van een enquêteverzoek.11
De strekking van het enquêterecht brengt mee dat bij de toepassing daarvan het uiteindelijk vooral aankomt op de economische werkelijkheid.12 De economische werkelijkheid of gerechtigdheid komt ook tot uitdrukking in de Chinese Worker-beschikking: aandeelhouders in een buitenlandse moedervennootschap kunnen onder omstandigheden worden aangemerkt als economisch gerechtigden in een Nederlandse dochtervennootschap.13
De grens van de economische werkelijkheid is het hebben van economisch belang op grond van een trustverhouding. Dat is onvoldoende om voor de toepassing van het enquêterecht gelijk te worden gesteld met economisch rechthebbende voor wier rekening en risico de aandelen worden gehouden.14
Aan de houder van een participatiebewijs komt geen recht van enquête toe. Op grond van art. 2:346 aanhef onder c BW acht ik het echter mogelijk dat aan hem daartoe bij de statuten of bij overeenkomst met de rechtspersoon de bevoegdheid wordt toegekend.15 Daarbij zal dan wel aan de kapitaaleis voldaan moeten zijn, omdat anders de houder van een participatiebewijs in een gunstiger positie komt te verkeren dan de andere kapitaalverschaffers zonder stemrecht.
Daarnaast acht ik het mogelijk dat de houder van een participatiebewijs zich volgens art. 282 lid 1 Rv als belanghebbende in de enquêteprocedure voegt. Steun voor deze opvatting ontleen ik aan de parlementaire geschiedenis en enkele uitspraken. De parlementaire geschiedenis verwoordt het ter toelichting op art. 429h lid 1 (oud) BW aldus: “(…) Iedere belanghebbende is bevoegd een verweerschriftin te dienen, onverschillig of hij ingevolgde artikel 429f is opgeroepen ofniet. Ook de niet opgeroepene behoort in de gelegenheid te worden gesteld zich tedoen horen; misschien heeft de oorspronkelijk verzoeker niet alle belanghebbendengenoemd of zijn de belanghebbenden niet allen bekend. Vrees dat nu ieder die zichals belanghebbende aandient aan de behandeling zou kunnen deelnemen behoeftniet te bestaan, want bij twijfel aan werkelijk belang is het laatste woord aan derechter ook zonder uitdrukkelijke wetsbepaling.”16 Ten tijde van de herziening van het burgerlijk procesrecht werd opgemerkt ‘dat onder ‘belanghebbende’ valt te verstaan: een ieder die, anders dan als verzoeker, als concrete belanghebbende bij de procedure betrokken kan worden: de potentiële wederpartij van de verzoeker derhalve’.17
Titel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geeft geen omschrijving of definitie van ‘belanghebbende’. In zijn arrest van 25 oktober 199118 overwoog de Hoge Raad: “Wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepalingzijn te rekenen, is in de wet niet in het algemeen aangegeven, maar moet voor iedertype verzoekschriftprocedure uit de aard van de procedure en de daarmee verbandhoudende wetsbepalingen worden afgeleid. In de onderhavige zaak gaat het om eenbeschikking tot goedkeuring van een besluit tot fusie van een stichting als bedoeld inart. 2:317 lid 5 BW. Een persoon die behoort tot de kring van de bij de stichtingbetrokkenen, zoals een oprichter of iemand die ten tijde van de totstandkoming vanhet fusiebesluit deel uitmaakt van een van de organen van de stichting, moet inbeginsel als belanghebbende worden aangemerkt. Een niet tot deze kring behorendepersoon kan slechts dan als belanghebbende in de zin van art. 429n lid 2 hogerberoep tegen een zodanige beschikking instellen wanneer de goedkeuring van hetfusiebesluit zou leiden tot een specifiek en concreet nadeel voor hem in zijnbetrekkingen tot de stichting.”
Maeijer stelt in zijn NJ-noot onder dit arrest dat de Hoge Raad bij zijn benadering van het begrip ‘belanghebbende’ in dit arrest aansluit bij de door hem ontwikkelde ‘kringenleer’ naar aanleiding van het begrip belanghebbende in art. 999 Rv.19 De Hoge Raad maakt in dat laatste geval onderscheid tussen de kring van de bij de onderneming betrokkenen wier belang wordt verondersteld en een overige groep van mogelijke belanghebbenden die een specifiek en concreet nadeel moeten stellen en bij wie een dergelijk nadeel moet blijken. In de literatuur is betoogd dat de belanghebbende een eigen recht of eigen belang20 moet hebben om als belanghebbende in een procedure te mogen opkomen voor dat eigen recht of belang. Dat sluit aan bij het bepaalde in art. 3:303 BW, inhoudende dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt.
De ‘belang-benadering’ komt ook terug in de Scheipar-beschikking.21 Deze beschikking ziet op een enquêteprocedure. De Hoge Raad sluit aan bij haar eerdere overweging in het hiervoor aangehaalde arrest van 25 oktober 1991 en voegt in haar overweging toe: “Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is,zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffendeprocedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarinbehoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of in hoeverredeze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in deprocedure word behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure teverschijnen.”22 In de daaropvolgende rechtsoverweging concretiseert de Hoge Raad dit criterium voor de voormalig bestuurder van de vennootschap: “Gelet op de zoevenvermelde maatstaf en op het doel van een enquêteprocedure, moet wordenaangenomen dat de voormalige bestuurder van de rechtspersoon die volgens hetdaartoe ingediende verzoek onderworpen dreigt te worden aan een onderzoek naarhet in het verleden mede door deze bestuurder gevoerde beleid en de gang van zakenin de rechtspersoon, als belanghebbende kan worden aangemerkt. Deze bestuurderzal immers voor de periode die hem aangaat voor dat beleid verantwoordelijkkunnen worden gehouden. Er is geen reden om te dezer zake verschil te makentussen de eerste fase van de enquêteprocedure waarin moet worden beoordeeld of ergegronde redenen zijn om aan een juist beleid te twijfelen, en de tweede fase waarinmoet worden beoordeeld of van wanbeleid sprake is geweest en welke gevolgendaaraan eventueel moeten worden verbonden.”23 Met andere woorden: het gaat om feitelijke betrokkenheid van de belanghebbende.24
In paragraaf 7.4.2 concludeerde ik dat de houder van een participatiebewijs tot de kring van betrokkenen behoort in de zin van art. 2:8 BW, zodat naar mijn mening op grond van dit arrest en de aangehaalde meningen in de literatuur ook de houder van een participatiebewijs als een belanghebbende in de zin van art. 282 Rv te beschouwen is en aldus langs die weg gerechtigd is een enquêteverzoek in te dienen. De belanghebbende kan op grond van art. 282 lid 4 Rv een zelfstandig verzoek indienen, mits dit betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek.
Knelpunten
a. de kapitaaleis
Uit het voorgaande volgt dat de stemrechtloze aandeelhouder, de aandeelhouder wiens stemrecht overgedragen is aan de vruchtgebruiker of pandhouder en de houder van een certificaat met of zonder vergaderrecht aan een kapitaaleis moeten voldoen voor het indienen van een enquêteverzoek. De vraag is of die kapitaaleis een belemmering is in de bescherming van deze kapitaalverschaffers zonder stemrecht. Mijns inziens is dat niet het geval. Ten eerste omdat het enquêterecht met ingang van 1 januari 2013 de mogelijkheid kent dat de rechtspersoon ook zelf een verzoek tot enquête kan indienen, bijvoorbeeld bij een patstelling in een orgaan van de vennootschap, een patstelling in de besluitvorming of gedrag van een individuele aandeelhouder, welk gedrag de gang van zaken binnen de vennootschap voldoende sterk raakt.
Ten tweede, de kapitaalverschaffer zonder stemrecht die niet aan de voorwaarden van art. 2:346BWvoldoet, kan zich op grond van art. 282 lid 1 Rv als belanghebbende in de enquêteprocedure voegen.25 Ten derde kan de OK op grond van art. 279 lid 1 laatste volzin Rv ook ambtshalve de desbetreffende kapitaalverschaffer als belanghebbende oproepen. Ik verwijs naar de eerder besproken Scheipar-beschikking.
Ten vierde, op grond van de E-Traction-beschikking26 bestaat voor iedere belanghebbende de mogelijkheid ex art. 282 lid 4 Rv in de enquêteprocedure een zelfstandig verzoek in te dienen, mits dit betrekking heeft op het onderwerp van het oorspronkelijke verzoek. De Hoge Raad overweegt: “Een verzoek om een onmiddellijkevoorziening als bedoeld in art. 2:349a lid 2 of 2:355 lid 3 BW voldoet inbeginsel aan deze laatste eis en kan dus ook door andere belanghebbenden wordengedaan dan de indieners van het enquêteverzoek of van het in art. 2:355 lid 1 BWgenoemde verzoek tot het treffen van de in art. 2:356 BW genoemde voorzieningen.De omstandigheid dat de tekst van de wet alleen de indieners van deze verzoekennoemt bij de mogelijkheid tot het doen van het verzoek om een onmiddellijkevoorziening, is onvoldoende grond voor een wetsuitleg in andere zin. Er is geengenoegzame reden om aan andere belanghebbenden, in afwijking van art. 282 lid 4Rv., deze mogelijkheid te onthouden. Aan het onthouden van die mogelijkheid aanhen kleeft bovendien het bezwaar dat zij voor een voorlopige voorziening zoudenzijn aangewezen op een kort geding, hetgeen leidt tot dubbele procedures en hetrisico in zich draagt van tegenstrijdige uitspraken.”27
b. de aard van de maatregel in een enquêteprocedure
In het enquêterecht staat het beleid van en de gang van zaken binnen de vennootschap centraal. Het is een fundamenteel andere procedure dan de procedure met betrekking tot de vordering tot vernietiging van een besluit ex art. 2:15 jo. 2:8 BW. Niettemin kan ook de OK in voorkomend geval op grond van art. 2:356 BW besluiten vernietigen.28 De enquêteprocedure biedt echter geen mogelijkheid tot overdracht van aandelen.29
Bij de kapitaalverschaffers zonder stemrecht staan vooral de financiële rechten, die aan hun rechtsfiguur zijn verbonden, centraal. Ik concentreer mij daarom op de vraag of de enquêteprocedure een probaat middel is om in de bescherming van deze rechten te voorzien.30 Het gaat daarbij om de situatie dat de (enquêtegerechtigde) kapitaalverschaffer zonder stemrecht van mening is dat te weinig uitgekeerd is als gevolg van een al dan niet gedeeltelijke reservering van de winst. Ten aanzien van het besluit tot winstreservering verwijs ik naar paragraaf 7.5.4.2. Op die plaats betoogde ik dat indien het besluit tot het reserveren van winst wordt vernietigd, de rechter er goed aan doet in zijn uitspraak geen besluit tot uitkering op te nemen, maar – afhankelijk van de statuten van de vennootschap – de algemene vergadering of het bestuur op draagt een nieuw besluit te nemen. Zoals gesteld, zal mijns inziens opnieuw op grond van art. 2:8 BW en het vennootschappelijk belang een belangenafweging moeten plaatsvinden, hetgeen niet per definitie tot een besluit tot uitkering of een hogere uitkering zal (kunnen) of hoeft (te) leiden. Daarnaast zal de uitkeringstest van art. 2:216 BW in acht genomen moeten worden. In deze nieuwe besluitvorming omtrent uitkering zal voor de bestuurder(s) en voor de uitkeringsgerechtigden ook de aansprakelijkheid op grond van art. 2:216 lid 3 BW een rol spelen. Voor die aansprakelijkheid is het moment waarop de uitkering wordt voldaan bepalend.31 Dat moment is aldus per definitie later dan het moment waarop het besluit tot reservering is genomen en het moment waarop de rechter dat laatste besluit heeft vernietigd. Wel zal het een en ander ertoe kunnen leiden dat besluitvorming zorgvuldiger en beter gemotiveerd geschiedt, waarbij extra aandacht zal worden besteed aan de positie van de kapitaalverschaffer zonder stemrecht en de motivering van de rechter om tot vernietiging van het besluit tot reservering te komen.32
Concluderend: het enquêterecht is voor de enquêtegerechtigde kapitaalverschaffer zonder stemrecht niet zonder meer een probaat middel om zijn rechtspositie te beschermen.