Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/2.1.1
2.1.1 Bespreking van het arrest
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS486702:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9136 (Woonarkarrest).
HR 20 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7857 (drijvende steigers).
Bouly stelt dat een schip hierdoor een ‘‘hybride’ karakter’ krijgt, omdat het roerende schip op deze wijze horizontaal nagetrokken kan worden door de oever en zo onroerend kan zijn. Zie: S. Bouly, Onroerende natrekking en horizontale eigendomssplitsingen, (diss. Leuven), Antwerpen: Intersentia, 2015, p. 294.
Hof ’s-Hertogenbosch 30 december 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BQ0443.
Op 15 januari 2010 wees de belastingkamer van de Hoge Raad een arrest inzake de vraag of een woonark een roerende of een onroerende zaak is, in verband met de Wet waardering onroerende zaken.1
De feiten waren als volgt: X was eigenaar van een grondkavel, een waterkavel en een woonark in de gemeente Almere. De grondkavel bestond uit een parkeerplaats naast de woonark. De woonark had een betonnen constructie met een houten opbouw en lag vast door middel van twee metalen beugels die waren bevestigd rond een meerpaal. De meerpalen waren vast verankerd in de bodem van de waterkavel. De woonark was gelegen aan een pier, waaraan ook de parkeerplaats was gelegen en vanwaar de woonark te betreden is. Boven de pier was een apart dekniveau dat diende als wandelpromenade. Ook vanaf deze wandelpromenade was de woonark te betreden, via een loopplank. De woonark lag in een woonwijk met aan beide kanten twee (onbeweegbare) bruggen, die zo laag waren dat de ark er niet onder door kon worden gesleept. Tevens was de woonark aangesloten op de gemeentelijke riolering en nutsvoorzieningen.
De heffingsambtenaar van de gemeente Almere had bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken de waarde van de onroerende zaak vastgesteld, te weten de waarde van de waterkavel, de grondkavel en de woonark. Op grond van deze waarde was een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd. X betwistte dat de woonark deel uitmaakte van een samenstel van gebouwde en ongebouwde eigendommen in de zin van art. 16 WOZ en daardoor betrokken kon worden in de heffing van onroerendezaakbelastingen en tekende bezwaar aan tegen de beschikking. Nadat het bezwaar van X door de Ambtenaar werd afgewezen, is hij in beroep gekomen bij de Rechtbank Zwolle-Lelystad. De Rechtbank had het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep kwam X op tegen het oordeel van de Rechtbank dat de woonark als onroerende zaak gekwalificeerd dient te worden.
Op grond van artikel 3:3 BW zijn onder meer onroerend: ‘de grond, en de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken.’ Wat betreft de vereniging met de grond haalde het Hof een arrest aan van de Hoge Raad uit 2002, betreffende een aantal drijvende steigers.2 In dit arrest was sprake van drijvende steigers die enkel door middel van beugels verbonden waren met in de bodem verankerde meerpalen.
De woonark was op dezelfde wijze als deze drijvende steigers bevestigd. Onder verwijzing naar dit arrest oordeelde het hof dat er sprake was van vereniging met de grond. Vervolgens ging het hof in op de vraag of er sprake is van een duurzame vereniging:
“Een gebouw of werk is slechts dan duurzaam met de grond verenigd als het, mede gelet op de bedoeling van degene door wie of in wiens opdracht het tot stand is gebracht, naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, en dit ook naar buiten kenbaar is uit bijzonderheden van aard en inrichting van dat gebouw of werk.”
Wat betreft de aard van de woonark overwoog het hof:
“Een gebouw of werk is slechts dan duurzaam met de grond verenigd als het, mede gelet op de bedoeling van degene door wie of in wiens opdracht het tot stand is gebracht, naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, en dit ook naar buiten kenbaar is uit bijzonderheden van aard en inrichting van dat gebouw of werk.”
Op grond van de volgende feiten achtte het hof de woonark bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven:
De plaatsing, enkel mogelijk gemaakt door het tijdelijk doorbreken van een dijk;
De locatie aan belanghebbendes grondkavel (de parkeerplaats) en op belanghebbendes waterkavel;
De ligging in een woonwijk in een besloten water tussen lage bruggen, waardoor de woonark niet in zijn geheel kan worden weggesleept naar een andere locatie;
De specifieke aansluiting van de entree op het bovendek van de woonark op de wandelpromenade;
En de aansluiting op de riolering en nutsvoorzieningen.
Op grond van het bovenstaande merkte het hof de woonark aan als onroerende zaak.
In cassatie werd opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de woonark verenigd is met de grond, doordat deze met beugels is verbonden met de in de bodem verankerde meerpalen. De Hoge Raad achtte deze klacht gegrond:
“Het gaat hier om een zaak die blijkens zijn constructie bestemd is om te drijven en drijft, zodat sprake is van een schip in de zin van artikel 8:1 BW. Een schip is in het algemeen een roerende zaak. Een verbinding tussen een schip en de onder dat schip gelegen bodem die toelaat dat het schip met de waterstand mee beweegt, kan niet leiden tot het oordeel dat het schip met de bodem is verenigd in de zin van art. 3:3 lid 1 BW. Klaarblijkelijk is in het onderhavige geval sprake van een dergelijke verbinding, zodat de woonark niet met de onder die ark gelegen bodem is verenigd in de zojuist bedoelde zin.”
Voorts werd in cassatie opgekomen tegen de omstandigheden op grond waarvan het hof had geoordeeld dat de woonark bestemd was om duurzaam ter plaatse te blijven (reden I t/m V). Ook deze klachten slaagden:
“aangezien de in 4.4.1 vermelde omstandigheden betrekking hebben op de omgeving van de woonark, en niet zijn aan te merken als naar buiten kenbare bijzonderheden van aard en inrichting van de woonark zelf.”
De Hoge Raad concludeerde dat de uitspraak van het hof niet in stand kon blijven en verwees het geding naar het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. Na verwijzing diende onderzocht te worden of de litigieuze woonark verbonden is met de oever op een dusdanige wijze dat sprake is van vereniging met die grond in de zin van artikel 3:3 lid 1 BW.3 De Hoge Raad voegde hieraan toe dat uit zijn arrest d.d. 22 juli 1988, BNB 1988/282, NJ 1989, 257 in ieder geval volgt dat zo’n vereniging niet kan worden aangenomen enkel op grond van een verbinding door middel van kabels en de aansluiting op nutsleidingen en riolering.
Het hof oordeelde, na terug verwijzing, dat ‘gelet op de wijze waarop de loopplank mee beweegt met de waterstand er geen sprake is van (duurzaam) verenigd zijn met de bodem en evenmin met de oever’ en werd de litigieuze woonark als roerende zaak aangemerkt.4