Einde inhoudsopgave
Uitbesteding in de financiële sector (O&R nr. 88) 2015/5.4.1
5.4.1 Oneigenlijke uitbestedingsverboden
mr. drs. P. Laaper, datum 01-09-2015
- Datum
01-09-2015,
- Auteur
mr. drs. P. Laaper
- JCDI
JCDI:ADS598753:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 34, lid 2, sub a, Pw jo. art. 12, sub b en c, Bupw.
Zie par. 5.4.2 en 5.4.3.
Ik ontleen dit voorbeeld aan de parlementaire toelichting op enkele voorlopers van art. 3:16 en 4:13 Wft: Kamerstukken II, 1995-1996, 24600, nr. 3, p. 9. Deze Wftartikelen bepalen dat een financiële onderneming niet in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur met personen verbonden mag zijn, wanneer dat een belemmering vormt voor een adequaat toezicht. Ze vormen een uitwerking van de BCCIrichtlijn.
Art. 79, Gedelegeerde AIFMD-verordening.
Specifiek sub a van art. 79, Gedelegeerde AIFMD-verordening. Dit laat zich verklaren doordat het toezicht op de dienstverlener primair via de uitbesteder zelf loopt.
Toelichting op art. 3 Bup. De uitbesteding zou namelijk de verantwoordelijkheid van het fonds dan wel een adequaat toezicht kunnen ondermijnen. Eenzelfde verbod vond men in art. 63, eerste gedachtestreepje, Rob.
In gelijke zin: Maatman 2004a, p. 58, voetnoot 125.
Een adequate functiescheiding is een basisvereiste voor een goede organisatieinrichting en vloeit voort uit de eisen van een beheerste en integere bedrijfsvoering. Zie bijv. art. 18 en 20, lid 3, Bpr en art. 34, lid 1, sub c; 34e, sub d en 115, lid 1, sub a, Bgfo. In art. 18-20 Besluit FTK komt het principe van functiescheiding minder goed naar voren. Wanneer taken worden uitbesteed, zal ook met de eisen van functiescheiding rekening gehouden moeten worden.
Een verbod om bij uitbesteding bepaalde taken te bundelen, bestaat voor beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen. Zij mogen het portefeuillebeheer en het risicobeheer niet uitbesteden aan de (sub)bewaarder (zie art. 20, lid 2, AIFMD).
Kritisch is ook de Commissie Frijns 2010, p. 47; DNB Beleggingsonderzoek 2010, p. 5; DNB Beleggingsonderzoek 2009, p. 8.
Zie ook Rb Rotterdam 4 augustus 2011, JOR 2012, 12, m.nt. Affourtit en PJ 2011, 125 m.nt. Kuiper (PME).
Van Asselt & Bastian 2014, onder “Functiescheiding”.
In het Bupw is bepaald dat uitbesteding verboden is wanneer het gaat om:
Werkzaamheden waarvan uitbesteding de verantwoordelijkheid van het pensioenfonds voor de organisatie en beheersing van bedrijfsprocessen en het toezicht daarop kan ondermijnen,
Werkzaamheden waarvan de uitbesteding een belemmering kan vormen voor een adequaat toezicht op de naleving van hetgeen bij of krachtens de Pensioenwet is bepaald.1
De wetgever heeft het over “werkzaamheden die niet mogen worden uitbesteed”. Dat is echter een wat misleidende aanduiding. Welbeschouwd worden er geen werkzaamheden aangewezen die niet mogen worden uitbesteed. Er wordt aangegeven dat uitbesteding niet in strijd mag komen met de uitgangspunten van de uitbestedingsregels. Weliswaar kunnen uit deze bepalingen enkele concrete werkzaamheden worden afgeleid die niet of in beginsel niet mogen worden uitbesteed.2 In de meeste gevallen echter, betekent een uitbesteding in strijd met deze “verboden” slechts dat de uitbesteding van die activiteit anders moet worden georganiseerd.
Zo wordt een adequaat toezicht ondermijnd wanneer de dienstverlener is gevestigd in een staat waarvan het recht verbiedt om informatie te verstrekken aan een buitenlandse toezichthouder.3 Het toezicht wordt voorts belemmerd wanneer de toezichthouder geen (effectieve) toegang krijgt tot de relevante gegevens en de bedrijfsruimten van de dienstverlener.4 Ook wanneer de uitbestedende onderneming zélf geen toegang krijgt tot de relevante gegevens of de bedrijfsruimten van de dienstverlener, wordt het toezicht belemmerd.5 Uitbesteding van concrete taken wordt echter niet verboden.
Voorts was het pensioenfondsen voorheen verboden om de financiële administratie of het opmaken van de staten of de jaarrekening uit te besteden aan de externe controlerend accountant of het kantoor waaraan hij verbonden is.6 Daarmee was het niet verboden de betreffende werkzaamheden uit te besteden; het was slechts niet toegestaan ze aan een specifieke partij uit te besteden.7 Bij een dergelijke bundeling van taken komt immers een adequate functiescheiding in het gedrang.8 Dat kan zowel de verantwoordelijkheid van het fonds als het toezicht ondermijnen.9
Een vergelijkbare, ongewenste bundeling van taken kan zich eenvoudig voordoen bij fiduciair beheer. Het doet zich bijvoorbeeld voor wanneer de vermogensbeheerder naast het vermogensbeheer, ook de meting van de (eigen) prestaties en het risicobeheer voor het pensioenfonds verzorgt. Het concept fiduciair verdient dan ook een kritische beschouwing van pensioenfondsen die dit overwegen.10 Toch is fiduciair beheer op zichzelf niet verboden. Pensioenfondsen moeten de uitbesteding dan wel organiseren op een wijze die hun verantwoordelijkheid niet ondermijnt. Minst genomen zal het pensioenfonds de metingen periodiek moeten controleren. Dat kan het eventueel door een onafhankelijke derde laten doen.11 Een in de praktijk veel voorkomende oplossing is dat de custodian de prestatiemeting en het risicobeheer verzorgt.12 Dit werkt natuurlijk alleen wanneer de custodian van de fiduciair onafhankelijk is.