Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.6.2.5.1
III.6.2.5.1 De privacy-facetten
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS450813:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder andere EHRM 16 december 1992, appl. no. 13710/88, r.o. 29 (Niemietz vs. Duitsland) en EHRM 3 april 2012 (GK) 41723/06, r.o. 66 (Gillberg vs. Zweden) en EHRM 12 juni 2014 (GK), appl. no. 56030/07, r.o. 109 ((Fernandez Martinez vs. Spanje).
EHRM (GK) 9 oktober 2003, appl. no. 48321/99, r.o. 96 (Slivenko vs. Letland) en EHRM (GK) 26 juni 2012, appl. no. 26828/06, r.o. 336 (Kuric en anderen vs. Slovenië). Zie ook D. Thym, ‘Respect for Private and Family Life under Article 8 ECHR in Immigration Cases: A Human Right to Regurlize Illegal Stay?’, The International and Comparative Law Quarterly 2008, 1, p. 93
Zie onder andere EHRM (GK) 11 juli 2002, appl. no. 28957/95, r.o. 90 (Christine Goodwin vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM (GK) 15 maart 2012, appl. nos. 4149/04 & 41029/04, r.o. 58 (Aksu vs. Turkije).
Zie onder andere EHRM 6 februari 2001, appl. no. 44599/98, r.o. 47 (Bensaid vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 12 juni 2003, appl. no. 35968/97, r.o. 69 (Van Kuck vs. Duitsland) en EHRM 12 januari 2010, appl. no. 4158/05, r.o. 61 (Gillan & Quinton vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 17 juli 2012, appl. no. 2913/06, r.o. 78 (Munjaz vs. het Verenigd Koninkrijk).
EHRM 16 december 1992, appl. no. 13710/88, r.o. 30 (Niemietz vs. Duitsland).
EHRM 16 december 1992, appl. no. 13710/88, r.o. 30 (Niemietz vs. Duitsland).
EHRM 3 april 2007, appl. no. 62617/00, r.o. 41 (Copland vs. het Verenigd Koninkrijk).
EHRM 16 december 1992, appl. no. 13710/88, r.o. 30 (Niemietz vs. Duitsland).
EHRM (GK) 10 maart 2009, NJCM Bulletin 2010, 4, r.o. 78 m.nt. Van der Voort (Bykov vs. Rusland).
EHRM (GK) 22 mei 2012, appl. no. 5826/03, r.o. 197 (Idalov vs. Rusland)
EHRM 28 september 2000, appl. no. 25498/94, r.o. 75-77 (Messina vs. Italië (nr. 2)) en EHRM 22 mei 2008, appl. no. 15197/02, r.o. 39 (Petrov vs. Bulgarije).
EHRM (GK) 22 mei 2012, appl. no. 5826/03, r.o. 199 (Idalov vs. Rusland).
EHRM 3 juli 2012, appl. no. 30457/06, r.o. 39 (Robathin vs. Oostenrijk) en EHRM 14 maart 2013, appl. no. 24117/08, r.o. 105 (Bernh Larsen Holding AS en anderen vs. Noorwegen).
EHRM 8 januari 2009, appl. no. 74266/01, r.o. 72-82 (Alekseyenko vs. Rusland) en EHRM 12 januari 2012, appl. no. 36650/03, r.o. 76 (Dovzhenko vs. Oekraïne).
EHRM 29 april 2006, appl. no. 2346/02, r.o. 62 (Pretty vs. het Verenigd Koninkrijk).
Artikel 8 lid 1 EVRM onderscheidt vier onderdelen van de bescherming van de privacy, namelijk het privéleven, het familieleven, de woning en de correspondentie. Het begrip privéleven is, evenals de begrippen menselijke waardigheid en privacy, vaag. Het EHRM heeft meermaals geoordeeld dat het definiëren van het begrip onmogelijk en ook niet noodzakelijk is.1 Per zaak wordt, naar de omstandigheden van het geval, beoordeeld of iets onder de reikwijdte van het privéleven valt. In algemene zin wordt het privéleven omschreven als een netwerk met zowel sociaal, professioneel contact met anderen als een afgeschermde sfeer.2 De twee algemene aspecten die ik heb onderscheiden na analyse van de rechtspraak over artikel 8 lid 1 EVRM die invulling geven aan de persoonlijke autonomie en kwaliteit van leven, zijn de noties ‘persoonlijke identiteit’3 en ‘persoonlijke ontwikkeling’.4 Door zichzelf te ontwikkelen en daarmee een persoonlijke identiteit te construeren, wordt het fundament gelegd om autonoom en persoonlijk, op basis van eigen voorkeuren te beslissen over de invulling (en de kwaliteit) van het privéleven. Overigens werkt de samenwerking tussen ontwikkeling en identiteit ook andersom. Wanneer de identiteit verandert, worden andere doelen in bijvoorbeeld onderwijs, creatieve vorming en relaties gezocht. Dus de identiteit bepaalt mede hoe en wat wordt ontwikkeld en de ontwikkeling beïnvloedt de vorming van de identiteit.
Binnen de persoonlijke identiteit en ontwikkeling onderscheidt het EHRM binnen het onderdeel privéleven ten minste de volgende specifieke onderdelen: (1) fysieke identiteit en integriteit; (2) geestelijke integriteit; (3) morele integriteit; (4) sociaaleconomische identiteit; (5) etnisch-culturele identiteit; (6) onderwijs en; (7) informationele privacy. Hiermee sluit de uitwerking van de ‘persoonlijke identiteit en ontwikkeling’ bijna naadloos aan bij de persoonlijkheidspsychologietheorie die in het eerste deel van dit hoofdstuk is besproken. Het lijkt sterk derhalve erop dat het EHRM het begrip ‘privéleven’ als een soort persoonlijkheidsprivacy uitlegt, waarbij overigens ook aandacht is voor geheimhouding en afscherming. Zonder een afgeschermd, besloten, exclusief deel van het leven is ontwikkeling en uiting van de persoonlijk namelijk niet goed mogelijk.
Naast het private leven waarborgt artikel 8 lid 1 EVRM het respect dat voor het familieleven moet worden opgebracht. Hoewel het begrip familieleven ruim wordt uitgelegd door het EHRM, is het een notie met een veel beperktere reikwijdte dan het concept privéleven. Het persoonlijke leven bestaat voor een belangrijk gedeelte namelijk uit contact met familieleden, maar is niet enkel tot dit contact beperkt. Wat betreft het familieleven op zichzelf is ten eerste belangrijk dat het verondersteld dat een familie bestaat. Het behelst dus geen recht om een familie te stichten. Of familiebanden bestaan, wordt de facto en niet de jure beoordeeld. De constantheid van de relatie is daarbij een bepalende factor.
Verder beschermt artikel 8 lid 1 EVRM twee aanvullende en veel specifiekere aspecten van de privacy, namelijk de woning en de correspondentie. In tegenstelling tot de twee eerste aspecten zijn de laatste twee aspecten wel te categoriseren als onderdelen van een geheimhoudingsprivacy. In de woning kan een exclusief leven worden geleid en door de bescherming van correspondentie kan die van de buitenwereld worden afgeschermd. In ieder geval is duidelijk dat beide begrippen, de woning5 en de correspondentie, niet beperkt moeten worden opgevat. Het EHRM sluit bij de uitwerking van het begrip woning aan bij het Franse domicile en niet bij het Engelse home. Hierdoor vallen alle gebouwen waar het private leven gedeeltelijk wordt geleid, waaronder dus ook een kantoor, onder de bescherming van de woning. Het recht op respect voor de correspondentie omvat alle correspondentie (zowel privé als zakelijk6), alle communicatiemiddelen (telefonie, e-mail en surfgedrag,7 documenten en post8 en gesprekken9) en de bescherming tegen allerlei vormen van inmenging (onder andere openen,10 monitoren,11 censureren,12 in beslag nemen13 en niet-bezorgen en -verzenden14).
Mijns inziens kan aan de hand van de hierboven geanalyseerde rechtspraak een tweedeling in de privacyonderdelen uit artikel 8 lid 1 EVRM worden aangebracht. Het woord privaat betekent zowel (en misschien wel vooral) bij de persoon(lijkheid) passend als exclusief en besloten. Artikel 8 lid 1 bevat twee duidelijke ‘exclusieve’ privacyonderdelen, namelijk de woning en de correspondentie. Daarnaast bevat het twee persoonlijkheidsprivacyonderdelen, namelijk het privéleven en familieleven. In totaal betekent het recht op respect voor privacy dat mensen de mogelijkheid moeten hebben om de beslissingen in hun leven zelfstandig en op eigen voorkeuren te baseren, zelfs als die beslissingen (in enige mate) schadelijk voor hen zelf zijn.15 Bovenmatig paternalisme past daar niet bij. Om beslissingen autonoom te kunnen nemen, moeten persoonlijke voorkeuren en een identiteit worden ontwikkeld en kunnen worden geuit. Om beslissingen onafhankelijk te kunnen nemen, moet ongeoorloofde dwang afwezig zijn. Hiervoor moeten onder andere het lichaam, de woning, de correspondentie en gegevens van de buitenwereld kunnen worden afgezonderd.