Fusies en overnames in de Europese BTW
Einde inhoudsopgave
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/6.3.5.5:6.3.5.5 Het arrest NCC
Fusies en overnames in de Europese BTW (FM nr. 146) 2016/6.3.5.5
6.3.5.5 Het arrest NCC
Documentgegevens:
S.B. Cornielje, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
S.B. Cornielje
- JCDI
JCDI:ADS419395:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De verkoop van voor eigen rekening gebouwde panden gebeurt door NCC kennelijk met regelmaat, waardoor toepassing van artikel 12 Btw-richtlijn niet aan de orde is.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het arrest NCC speelt de vraag of de verkoop door een aannemer van onroerend goed dat deze voor eigen rekening heeft gebouwd, kan worden aangemerkt als een bijkomstige handeling met betrekking tot onroerend goed in de zin van artikel 19 lid 2 Zesde BTW-Richtlijn (thans: artikel 174 lid 2 onderdeel b Btw-richtlijn).
Om deze vraag te beantwoorden verwijst het Hof van Justitie terug naar zijn uitspraak in Régie Dauphinoise en EDM waar immers de vraag aan de orde kwam wanneer een financiële handeling als bijkomstig kan worden aangemerkt. In het arrest Régie Dauphinoise oordeelt het Hof van Justitie in dit verband dat vanwege het feit dat de kapitaalverstrekkingen door Régie Dauphinoise het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk vormden van de belastbare prestaties en hierdoor werden geacht door een als zodanig handelende belastingplichtige te worden verricht het op grond van dit verband niet mogelijk is om vervolgens te oordelen dat die diensten bijkomstig zijn. Op basis van die argumentatie acht het Hof van Justitie de verkoop van voor eigen rekening vervaardigd onroerend goed door NCC eveneens niet bijkomstig, aangezien deze verkopen het rechtstreekse, duurzame en noodzakelijke verlengstuk vormen van de overige prestaties van NCC.
NCC maakt des te sterker duidelijk dat het verlengstukcriterium niet uitsluitend is bedoeld om niet-economische activiteiten mee te trekken in de algemene economische activiteit van een belastingplichtige, mocht daar naar aanleiding van voorgaande nog over getwijfeld worden. Er bestaat immers geen twijfel over dat de verkoop van een onroerende zaak door een aannemer op zichzelf een economische activiteit is.1 Daarmee stel ik vast dat het verlengstukcriterium voornamelijk moet worden gezien als algemene toets voor het al dan niet bijkomstig zijn van diensten in de zin van artikel 174 lid 2 onderdeel b Btw-richtlijn. Het verlengstukcriterium heeft in dat verband dan alleen betrekking op de berekening van het pro rata-aftrekrecht. De arresten Harnas & Helm en Floridienne-Berginvest vormen hierop uitzonderingen.