Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/4.6.6
4.6.6 Toekennen van een recht aan een derde
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS375588:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Voetnoten
Voetnoten
Contracts (Rights of Third Parties) Act 1999, art. 1(7).
Merkin 2000, p. 112; M. Bridge, ‘The Contracts (Rights of Third Parties) Act 1999’, ELR 2001, nr. 5, p. 88.
Contracts (Rights of Third Parties) Act 1999, art. 2(1)(a), (b) en (c).
Kamerstukken II 2000-2001, 17213, nr. 7, p. 4.
Merkin 2000, p. 94.
Law Commission, ‘Privity of Contract: Contracts for the Benefit of Third Parties’, LawCom No 242 Cm 3329, 1996, par. 3.29-30. Zie ook N. Carette, ‘Third Party Beneficiaries in Commercial Law. A Comparative Analysis of Belgian, Dutch, English and French Law’, EJCCL 2012 nr. 2-3, p. 25-26; Beatson, Burrows en Cartwright 2010, p. 631.
216. In nr. 185 heb ik de doctrine of privity of contract uiteengezet en de marginalisering van die doctrine door de invoering van de Contracts (Rights of Third Parties) Act 1999. Een derde kan een vordering instellen op grond van een contract, als daarin wordt bepaald dat hij daartoe is gerechtigd of als de bepaling tot doel heeft hem dat recht te verschaffen. De derde wordt geen partij bij de overeenkomst. Hoe de relatie tussen de contractspartijen en de derde moet worden geduid is niet uitgekristalliseerd. De formulering in de wet biedt geen uitsluitsel. De contractspartij jegens wie de derde zijn recht kan uitoefenen wordt aangeduid als promisor, de andere contractspartij als promisee, maar de derde wordt niet nader geduid.1 Het toekennen van het recht aan de derde kan worden beschouwd als een aanbod van de ene contractspartij (de offeror) aan zowel zijn contractuele wederpartij als de derde (als joint promisees). Anderszins kan de rechtsverhouding worden gezien als een gezamenlijk aanbod van de twee contractspartijen aan de derde.2 In die redenering verkrijgt de derde zijn aanspraak als gevolg van eenzijdig handelen, zonder dat hij het hoeft te aanvaarden, erop hoeft te vertrouwen of consideration hoeft te verschaffen.
In beginsel is de toekenning van het recht aan de derde echter herroepelijk. Pas wanneer de derde instemt met het verkrijgen van het recht, als de aanbiedende partij weet dat de derde op het aanbod vertrouwd heeft of als hij redelijkerwijs verwacht mag worden te hebben voorzien dat de derde op het aanbod zou vertouwen en de derde er ook daadwerkelijk op heeft vertrouwd, mogen de contractspartijen niet langer zonder zijn toestemming het contract beëindigen of zodanig wijzigen dat zijn recht verdwijnt of verandert.3 Voor verkrijging van het recht is instemming of vertrouwen niet vereist, maar het is pas onherroepelijk en dus verbindend voor partijen in een rechtsverhouding waarin gebleken is dat de derde instemt met zijn recht.
De vraagt rijst wat voor recht de derde eigenlijk verkrijgt. Naar Nederlands recht verkrijgt de derde op grond van een derdenbeding een wilsrecht.4 Merkin stelt dat naar Engels recht de derde een recht verkrijgt dat verwant is aan een goederenrechtelijk recht.5 Het ligt mijns inziens meer voor de hand om aan te nemen dat de derde een recht verkrijgt jegens de contractspartijen om nakoming te vorderen van het recht dat de contractsbepaling hem beoogt te verschaffen.6 Voor de promisor ontstaat als spiegelbeeld de verplichting om het beloofde na te komen.