De huur van ongebouwde onroerende zaken: een leemte in de wet
Einde inhoudsopgave
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/3.2.2:3.2.2 Bepalingen uit de boeken 3, 5 en 6 BW
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/3.2.2
3.2.2 Bepalingen uit de boeken 3, 5 en 6 BW
Documentgegevens:
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar, datum 26-04-2016
- Datum
26-04-2016
- Auteur
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar
- JCDI
JCDI:ADS378891:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Bijzondere onderwerpen
Huurrecht / Verplichtingen huurder en verhuurder
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Nadat in het voorgaande de specifieke huurrechtbepalingen zijn uitgewerkt, wordt in de rest van paragraaf 3.2 ingegaan op de relevante bepalingen uit boek 3, 5 en 6 BW. Daarbij zal allereerst aandacht worden besteed aan de redelijkheid en billijkheid (inclusief onvoorziene omstandigheden) en misbruik van omstandigheden. De reden voor de behandeling van juist deze bepalingen is dat de enige manier waarop de huurder contractuele bepalingen die afwijken van de in titel 7.4 BW opgenomen (algemene) bepalingen kan aantasten, een beroep op een van deze artikelen lijkt te zijn. Evenals in het voorgaande zal eerst een meer algemene toelichting op de desbetreffende bepalingen worden gegeven en zal daarna worden ingegaan op de toepassing in geval van huur van ongebouwde onroerende zaken.
Vervolgens zal ook nog nader worden ingegaan op ongerechtvaardigde verrijking en natrekking. Deze bepalingen zijn relevant voor het huurecht, met name in situaties waarin een huurder een gehuurde ongebouwde onroerende zaak zelf bebouwt met een gebouwde onroerende zaak. Ongerechtvaardigde verrijking is reeds kort aan de orde gekomen bij de behandeling van artikel 7:216 BW; de mogelijkheid om af te wijken van het recht van de huurder een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking in te stellen als hij de door hem gerealiseerde bebouwing bij het einde van de huurovereenkomst achterlaat, vormt een van de knelpunten waarop ik in hoofdstuk 6 nader inga. De algemene regeling van ongerechtvaardigde verrijking in artikel 6:212 BW zal in subparagraaf 3.2.2.3 nog verder uitgewerkt worden.
Op het moment dat een huurder van een ongebouwde onroerende zaak een opstal op het gehuurde plaatst, komt ook de natrekkingsregel (artikel 5:20 BW) om de hoek kijken. In paragraaf 3.2.2.4 zal worden ingegaan op de vraag wat dit betekent voor de verhouding tussen huurder en verhuurder van de ongebouwde onroerende zaak.
3.2.2.1 Redelijkheid en billijkheid3.2.2.2 Misbruik van bevoegdheid3.2.2.3 Ongerechtvaardigde verrijking3.2.2.4 Natrekking3.2.2.5 Overzicht