Artikel 40 van de Wet WOZ gaat over de gegevensverstrekking, zowel aan derden (het waardegegeven van een niet-woning), als aan belanghebbenden zelf (taxatieverslag).
Wat vindt u in De Vakstudie?
De geschiedenis en de achtergrond van artikel 40
Wat is het doel en strekking van art. 40?
Doel en strekking is om transparantie van de WOZ-waarde te waarborgen en om rechtsbescherming te bevorderen.
Wat houdt een gerechtvaardigd belang in?
Een gerechtvaardigd belang hoeft sinds de verruiming van de openbaarheid van de WOZ-waarde niet meer te worden aangetoond voor woningen. In geval van niet-woningen dient bij een verzoek om het verstrekken van waardegegevens door de gemeente, en eventueel door de rechter, worden beoordeeld of sprake is van een gerechtvaardigd belang.
Aan welke eisen moet een taxatieverslag voldoen?
De modeltaxatieverslagen (één voor woningen en twee voor niet-woningen) die als bijlagen bij de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ zijn opgenomen, bevatten minimumeisen waaraan het taxatieverslag moet voldoen.
Het is de bedoeling dat vanaf 2026 geen vast formulier meer wordt voorgeschreven voor de opmaak van het verslag. In de conceptregeling, die zich thans in de fase van internetconsultatie bevindt, is een tabel opgenomen met de elementen die het vernieuwde taxatieverslag voor woningen minimaal moet bevatten.
Jurisprudentie
Richtinggevende jurisprudentie. HR
Het hof (Hof Amsterdam 5 november 2019, 17/00395, ECLI:NL:GHAMS:2019:4018) oordeelt dat de gemeente in een beroepsprocedure over de WOZ-waarde niet is gebonden aan de modelmatige waardebepaling die zij voor de WOZ-beschikking heeft gebruikt. Het is de heffingsambtenaar toegestaan om in de fase van beroep en hoger beroep andere vergelijkingsobjecten aan te voeren dan op het taxatieverslag zijn vermeld en ter (nadere) onderbouwing van de door hem verdedigde waarde een taxatierapport over te leggen. Het taxatierapport is niet een tweede waardevaststelling, maar een bewijsmiddel ter nadere onderbouwing van de bij de bestreden beschikking vastgestelde waarde. In een procedure over de WOZ-waarde is het de heffingsambtenaar toegestaan om de juistheid van de door hem vastgestelde waarde – systematisch, dus volgens een consistente en controleerbare bewijsvoering, in dit geval aan de hand van een met toepassing van de vergelijkingsmethode opgesteld taxatierapport – te onderbouwen met gegevens van een beperkt aantal rond de waardepeildatum gerealiseerde verkopen en/of het verkoopgegeven van de woning zelve, ook al is de waarde bij het nemen van de primaire beschikking door middel van een modelmatige waardebepaling vastgesteld.
De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden (art. 81 lid 1 Wet RO).
X betwist de WOZ-waarde 2014 van zijn onroerende zaak. Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat gemeenten op grond van art. 40 Wet WOZ, maar in geval van bezwaar ook op grond van art. 7:4 Awb, verplicht zijn om (desgevraagd) inzage te geven in de grondstaffels die een rol hebben gespeeld bij de WOZ-waardering. De weigering om de grondstaffels te verstrekken, vormt voor het hof aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten.
De Hoge Raad oordeelt dat gemeenten in bezwaar en beroep desgevraagd inzicht moeten geven in de grondstaffels die ten grondslag liggen aan de WOZ-waardebepaling. Die verplichting wordt niet begrensd door art. 40 Wet WOZ (welke bepaling uitgaat van beperkte openbaarmaking). Aan de omstandigheid dat de grondstaffels pas in het hoger beroep zijn verstrekt, heeft het hof de conclusie mogen verbinden de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten. De gemeente stelt dat in de bezwaarfase de grondstaffels nog niet raadpleegbaar waren in het softwareprogramma en dus ook niet konden worden verstrekt. Deze klacht is op zichzelf juist, omdat de heffingsambtenaar niet kan worden verplicht informatie te verstrekken die hij zelf niet kan raadplegen. De Hoge Raad wijst er echter op dat, als een belanghebbende de werking van een door de heffingsambtenaar gehanteerd softwareprogramma wil controleren en zo nodig wil betwisten, de heffingsambtenaar ervoor moet zorgen dat de keuzes, aannames en gegevens die bij dat softwareprogramma zijn gehanteerd, inzichtelijk en controleerbaar zijn. Op die manier wordt voorkomen dat de WOZ-beschikking, vanuit de belanghebbende bezien, het resultaat is van een ‘black box’. De heffingsambtenaar heeft dat inzicht niet tijdig gegeven, zodat de veroordeling in de proceskosten terecht is.
X is het niet eens met de WOZ-waarde 2014 van zijn vrijstaande woning in de gemeente Waalwijk. De gemeente heeft de waarde bepaald op € 487.000. Tijdens een hoorzitting vraagt X om bekendmaking van de grondstaffels. De heffingsambtenaar wijst dit verzoek in de uitspraak op bezwaar af. X gaat in beroep en Rechtbank Zeeland-West-Brabant verlaagt de WOZ-waarde naar € 480.000.
Het hof (Hof 's-Hertogenbosch 13 april 2017, nr. 15/00910, Belastingblad 2017/331, m.nt. M. Noordegraaf, ECLI:NL:GHSHE:2017:1625) beslist dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde aannemelijk heeft gemaakt, maar kent wel een proceskostenvergoeding toe voor de beroeps- en hoger beroepsfase, omdat de heffingsambtenaar pas in hoger beroep de grondstaffel heeft willen verstrekken. De heffingsambtenaar is op grond van de artikelen 40 Wet WOZ en 7:4 Awb verplicht om dit gegeven desgevraagd te verstrekken (Hof 's-Hertogenbosch 10 februari 2017, nr. 15/01429, Belastingblad 2017/200). Door de weigerachtige houding van de heffingsambtenaar heeft X tot in hoger beroep moeten doorprocederen om een gefundeerd oordeel te krijgen over de waarde. Dit is reden om X een vergoeding toe te kennen voor de kosten van beroep en hoger beroep. Voor een vergoeding van de kosten van bezwaar is geen reden.
De Hoge Raad verwerpt het beroep in cassatie met toepassing van art. 81, lid 1, van de Wet RO.
Het door belanghebbende in de bezwaarfase gedane en voor het hof herhaalde verzoek, om — naast de hem reeds verstrekte waardegegevens van de vergelijkingspanden — drie waardegegevens van vergelijkbare woningen uit de directe omgeving, drie waardegegevens van andere categorieën woningen en drie waardegegevens van woningen op andere locaties te verstrekken, is door de heffingsambtenaar niet gehonoreerd. In de procedure voor het hof heeft de heffingsambtenaar in zijn verweerschrift aangegeven op het verzoek niet te zijn ingegaan omdat belanghebbendes verzoek geen door deze geselecteerde woningen bevatte.
Op grond van art. 40 Wet WOZ kan de heffingsambtenaar op verzoek het waardegegeven van een bepaalde onroerende zaak verstrekken aan een ieder die kan aantonen uit hoofde van de belastingheffing te zijnen aanzien een gerechtvaardigd belang te hebben bij de verkrijging daarvan. Deze bepaling strekt ertoe dat de belastingplichtige bepaalde waardegegevens kan verkrijgen, waarover hij wenst te beschikken om te kunnen controleren of sprake is van een juiste waardevaststelling van zijn onroerende zaak. Gelet op de strekking en bewoordingen van dit artikel dient het verzoek om verstrekking van waardegegevens betrekking te hebben op bepaalde, door de belanghebbende aangewezen onroerende zaken. Dienovereenkomstig spreekt de door belanghebbende ingeroepen 'instructie gerechtvaardigd belang' van de Waarderingskamer over 'door de verzoeker geselecteerde woningen'.
Belanghebbendes klacht te dezer zake berust uitsluitend op de stelling dat niet hijzelf maar de heffingsambtenaar een selectie van de objecten diende te maken. Die stelling faalt, gelet op het hiervoor overwogene.
Opmerking verdient dat de heffingsambtenaar, alvorens het verzoek af te wijzen omdat het niet gespecificeerd is, op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel de belanghebbende in de gelegenheid dient te stellen het verzoek binnen een daartoe door hem gestelde termijn te specificeren. Dat die gelegenheid door de heffingsambtenaar niet is geboden, is evenwel door het Hof niet vastgesteld of door één der partijen aangevoerd. In cassatie kan dit punt van feitelijke aard niet worden onderzocht.
Het hof is van oordeel, gelet op de wettelijke grondslag voor de bepaling van de waarde van een onroerende zaak (artikel 22 Wet WOZ) alsmede voor de registratie van het waardegegeven (artikel 37a Wet WOZ) en de verstrekking daarvan aan belanghebbenden dan wel aan eenieder voor een onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dient (artikel 40 en 40a Wet WOZ), dat de Heffingsambtenaar met het nemen van de beschikkingen, het opleggen van de aanslagen en het eventueel (doen) verstrekken van het waardegegeven aan derden, niet onrechtmatig jegens belanghebbende heeft gehandeld. Evenmin is gebleken van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, schending van het recht op gezinsleven en/of schending van het recht op privacy. Voor zover belanghebbende dan ook heeft bedoeld te stellen dat de beschikkingen en de aanslagen hierom moeten worden vernietigd, faalt die stelling.
Belanghebbende is eigenaar van een woning waarvan de WOZ-waarde 2017 door Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap is vastgesteld op € 596.000. In bezwaar verlaagt de heffingsambtenaar de WOZ-waarde naar € 575.000. Belanghebbende beroept zich op een taxatieverslag op de website van de heffingsambtenaar met een waarde van € 508.000.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat belanghebbende geen rechten kan ontlenen aan het taxatieverslag met daarin een lagere WOZ-waarde. De waarde wordt bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld en niet via een taxatieverslag. Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat de vermelding van een WOZ-waarde van € 508.000 in het taxatieverslag bij hem tot verwarring heeft kunnen leiden, maar belanghebbende kon gelet op de ‘beschikte’ waarde van € 596.000 en de relatief hoge verkoopprijzen van de referentiewoningen niet menen dat de heffingsambtenaar de bedoeling had de WOZ-waarde vast te stellen op € 508.000. Zonder bijkomende omstandigheden, die hier ontbreken, kan aan het taxatieverslag derhalve niet het in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend dat de WOZ-waarde niet de in deze procedure aannemelijk geachte € 575.000 bedraagt maar het bedrag van € 508.000. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.
Belanghebbende is eigenaar van een woning waarvan de WOZ-waarde is vastgesteld op € 405.000. Belanghebbende ontvangt van de gemeente een taxatieverslag met een waarde van € 337.000. Belanghebbende stelt dat de gemeente aan deze lagere waarde gebonden is.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat belanghebbende geen rechten kan ontlenen aan het taxatieverslag dat hij van de gemeente heeft gekregen met daarin een lagere WOZ-waarde. Belanghebbende had zich bij ontvangst van het taxatieverslag onmiddellijk kunnen realiseren dat de daarin vermelde waarde van € 337.000 onjuist was en daarmee niet werd beoogd de vastgestelde WOZ-waarde van € 405.000 te onderbouwen. Het zorgvuldigheidsbeginsel noch het vertrouwensbeginsel brengt mee dat de heffingsambtenaar gebonden is aan de waarde op het taxatieverslag. Het hof oordeelt dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is.
Eiser betoogt, onder verwijzing naar artikel 40 Wet WOZ en de conclusie van de A-G bij het arrest HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1316, Belastingblad 2018/367, m.nt. B.S. Kats), dat verweerder voorafgaand aan de hoorzitting ten onrechte niet de door eiser in het bezwaarschrift gevraagde gegevens heeft verstrekt, in het bijzonder de taxatiekaart en de KOUDV- en liggingsfactoren. Rechtbank Den Haag overweegt dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase geen verplichting heeft om de op de zaak betrekking hebbende stukken toe te zenden, maar alleen stukken die ter inzage liggen en op verzoek. Art. 40 WOZ verplicht de heffingsambtenaar in de bezwaarfase niet de stukken toe te zenden aan de gemachtigde van de belanghebbende. In de bezwaarfase geldt immers art. 7:4 Awb. Art. 7:4 lid 2 Awb verplicht de heffingsambtenaar niet de op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het hoorgesprek aan belanghebbende toe te zenden. Ook het lid 4 kent niet zo’n verplichting. Het betreft hier alleen een afschrift van de ter inzage gelegde stukken en wel tegen vergoeding van maximaal de kosten van de afschriften.
Belanghebbende bericht de gemeente Rotterdam in een brief als volgt: 'Hierbij verzoek ik u om voor de Wet Waardering Onroerende Zaken een afschrift van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde (taxatieverslag) van het volgende object te mogen ontvangen.'
Nog afgezien van het feit dat deze buiten de bezwaartermijn is ingediend, kan deze brief niet aangemerkt worden als een bezwaarschrift tegen de WOZ-beschikking die aan belanghebbende is opgelegd, zo oordeelt Rechtbank Rotterdam. Uit de brief van belanghebbende valt immers op geen enkele wijze op te maken dat bedoeld is om bezwaar te maken omdat eiser het met de WOZ-beschikkingen niet eens is. De brief kan niet anders worden opgevat dan als een verzoek ex artikel 40, tweede lid van de Wet WOZ.
J.C.K.W. Bartel, ‘De WOZ-beschikking: het schip begint te wenden’, MBB 2024/1. Update van auteurs bijdrage ‘De WOZ-beschikking: het roer moet om’, opgenomen in WFR 2018/7260. De auteur constateert verbeteringen op het terrein van de gegevensverstrekking en het taxatieverslag, maar de conclusie blijft staan dat de WOZ-procedure zelf moet wijzigen om deze weer toegankelijk te maken voor de woningeigenaar die zijn eigen belangen behartigt. Daarbij kan het gras voor de voeten van no-cure-no-paybureaus weggemaaid worden. De heffingsambtenaren dienen hierbij het voortouw te nemen.
C. Klaassen-Broekhuizen, ‘De WOZ-beschikking: Is transparantie de sleutel tot succes?’, Vastgoed Fiscaal & Civiel, 2021/25, concludeert dat het gebrek aan transparantie bij het vaststellen van de jaarlijkse WOZ-waarde een belangrijke, zo niet de belangrijkste factor is die ervoor zorgt dat de WOZ-waarde vaak ter discussie wordt gesteld. Het standaard verstrekken van een taxatieverslag bij de WOZ-beschikking zou kunnen zorgen voor een gelijkwaardiger positie tussen de belanghebbende enerzijds en de heffingsambtenaar anderzijds. Daarnaast zou ook een model taxatieverslag kunnen worden verstrekt met meer onderliggende gegevens die de waarde opbouw ondersteunen. Technologische ontwikkelingen kunnen volgens de auteur wellicht uitkomst bieden voor de uitdagingen die ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet WOZ nog niet voorhanden waren. Een combinatie van het verstrekken van deze gegevens via het WOZ-waardeloket lijkt haar een logische volgende stap richting het vergroten van de transparantie en daarmee de rechtszekerheid.
S. Bosma, aantekening bij Rb. Den Haag 23 februari 2021, AWB 19/7865, ECLI:NL:RBDHA:2021:2765, Belastingblad 2021/186, stelt dat de gegevens die ingevolge de Awb kwalificeren als ‘op de zaak betrekking hebbend’ ingevolge jurisprudentie van de Hoge Raad behoren tot de in art. 40 lid 2 Wet WOZ bedoelde gegevens. In tegenstelling tot hetgeen de rechtbank beslist, dienen de gegevens die ingevolge art. 7:4 Awb ter inzage moeten worden gelegd, ingevolge art. 40 lid 2 Wet WOZ op verzoek te worden verstrekt aan degene te wiens aanzien een beschikking is genomen.
G.J. van Leijenhorst e.a., Wet waardering onroerende zaken, Deventer: Wolters Kluwer 2020 (vijfde druk), p. 13, 125-126.
M.P. van der Burg, Compendium Gemeentelijke belastingen en de Wet WOZ, Deventer: Wolters Kluwer 2019 (elfde druk), p. 252-255.
J.C.K.W. Bartel, 'Rechterlijke toetsing van de WOZ-beschikking: Het roer moet om', Belastingblad 2019/1, stelt dat openheid van zaken bij een geautomatiseerd proces een ongelijkwaardige procespositie van partijen voorkomt doordat de woningeigenaar de juistheid van de gemaakte keuzes en van de daarbij gebruikte gegevens en aannames kan controleren en zo nodig gemotiveerd kan betwisten. Er moet een einde komen aan het beleidsmatig weigeren van heffingsambtenaren om de aan de WOZ-beschikking ten grondslag liggende gegevens te verstrekken. De weg ligt dan open naar het aanvullen van het taxatieverslag tot een deugdelijk motivering van de beschikking. Indien de aan de WOZ-beschikking ten grondslag liggende gegevens alsnog het voorwerp van de bezwaar- en beroepsprocedure gaan vormen, is het in de beroepsfase inbrengen van een taxatierapport van de woning door de heffingsambtenaar niet meer nodig. De woningeigenaar hoeft ook niet meer een eigen deskundige in te schakelen om met enige kans te procederen, en de onzekerheidsmarge in taxaties is geen verdienmodel meer.
A-G IJzerman (concl. 25 september 2017, nr. 17/01448, Belastingblad 2017/467, V-N 2017/54.3, ECLI:NL:PHR:2017:1051) is van mening dat onder ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ ook gegevens vallen die zijn opgenomen in applicaties die door de inspecteur of heffingsambtenaar bij de belastingheffing zijn gebruikt. Afdrukken van in elektronische vorm vastgelegde gegevens horen daar ook bij (HR 20 december 2013, nr. 12/02985, BNB 2014/58). De grondstaffels die de gemeente gebruikt bij de WOZ-waardering, zijn volgens de A-G aan te merken als ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ die de heffingsambtenaar op eigen initiatief had moeten verstrekken. Deze verplichting ex art. 7:4 Awb doet volgens de A-G geen afbreuk aan art. 40 Wet WOZ, welke bepaling uitgaat van een beperkte openbaarheid van WOZ-gegevens. De A-G verwerpt de opvatting van het college van B en W dat de aangevallen uitspraak van het hof (Hof ’s-Hertogenbosch 10 februari 2017, nr. 15/01429, Belastingblad 2017/200, m.nt. L.J. Boone, ECLI:NL:GHSHE:2017:501) rechtsongelijkheid creëert, omdat deze uitspraak afwijkt van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De A-G adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep van B en W ongegrond te verklaren.
L.J. Boone, Openbaarheid van WOZ-waarden en WOZ-gegevens van woningen: de stand van zaken, Belastingblad 2014/319.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vakstudie Lokale belastingen en milieuheffingen, art. 40 Wet WOZ, aant. 1.1
Aant. 1.1 Inleiding
Actueel t/m 03-05-2026
03-05-2026, het commentaar is bijgewerkt t/m Belastingblad 2026/180; V-N 2026/16.17; BNB 2026/65
01-01-1995 tot: -
Vakstudie Lokale belastingen en milieuheffingen, art. 40 Wet WOZ, aant. 1.1
Waardering onroerende zaken (V)
waardering onroerende zaken
Wet waardering onroerende zaken artikel 40
Beschouwing
Artikel 40 van de Wet WOZ gaat over de gegevensverstrekking, zowel aan derden (het waardegegeven van een niet-woning), als aan belanghebbenden zelf (taxatieverslag).
Wat vindt u in De Vakstudie?
De geschiedenis en de achtergrond van artikel 40
Wat is het doel en strekking van art. 40?
Doel en strekking is om transparantie van de WOZ-waarde te waarborgen en om rechtsbescherming te bevorderen.
Wat houdt een gerechtvaardigd belang in?
Een gerechtvaardigd belang hoeft sinds de verruiming van de openbaarheid van de WOZ-waarde niet meer te worden aangetoond voor woningen. In geval van niet-woningen dient bij een verzoek om het verstrekken van waardegegevens door de gemeente, en eventueel door de rechter, worden beoordeeld of sprake is van een gerechtvaardigd belang.
Aan welke eisen moet een taxatieverslag voldoen?
De modeltaxatieverslagen (één voor woningen en twee voor niet-woningen) die als bijlagen bij de Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet WOZ zijn opgenomen, bevatten minimumeisen waaraan het taxatieverslag moet voldoen.
Het is de bedoeling dat vanaf 2026 geen vast formulier meer wordt voorgeschreven voor de opmaak van het verslag. In de conceptregeling, die zich thans in de fase van internetconsultatie bevindt, is een tabel opgenomen met de elementen die het vernieuwde taxatieverslag voor woningen minimaal moet bevatten.
Richtinggevende jurisprudentie. HR
Het hof (Hof Amsterdam 5 november 2019, 17/00395, ECLI:NL:GHAMS:2019:4018) oordeelt dat de gemeente in een beroepsprocedure over de WOZ-waarde niet is gebonden aan de modelmatige waardebepaling die zij voor de WOZ-beschikking heeft gebruikt. Het is de heffingsambtenaar toegestaan om in de fase van beroep en hoger beroep andere vergelijkingsobjecten aan te voeren dan op het taxatieverslag zijn vermeld en ter (nadere) onderbouwing van de door hem verdedigde waarde een taxatierapport over te leggen. Het taxatierapport is niet een tweede waardevaststelling, maar een bewijsmiddel ter nadere onderbouwing van de bij de bestreden beschikking vastgestelde waarde. In een procedure over de WOZ-waarde is het de heffingsambtenaar toegestaan om de juistheid van de door hem vastgestelde waarde – systematisch, dus volgens een consistente en controleerbare bewijsvoering, in dit geval aan de hand van een met toepassing van de vergelijkingsmethode opgesteld taxatierapport – te onderbouwen met gegevens van een beperkt aantal rond de waardepeildatum gerealiseerde verkopen en/of het verkoopgegeven van de woning zelve, ook al is de waarde bij het nemen van de primaire beschikking door middel van een modelmatige waardebepaling vastgesteld.
De Hoge Raad oordeelt dat de middelen of klachten niet tot cassatie kunnen leiden (art. 81 lid 1 Wet RO).
HR 29 mei 2020, 19/05491, ECLI:NL:HR:2020:988, Belastingblad 2020/317; V-N 2020/29.37.5 (gemeente Bloemendaal).
X betwist de WOZ-waarde 2014 van zijn onroerende zaak. Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat gemeenten op grond van art. 40 Wet WOZ, maar in geval van bezwaar ook op grond van art. 7:4 Awb, verplicht zijn om (desgevraagd) inzage te geven in de grondstaffels die een rol hebben gespeeld bij de WOZ-waardering. De weigering om de grondstaffels te verstrekken, vormt voor het hof aanleiding om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten.
De Hoge Raad oordeelt dat gemeenten in bezwaar en beroep desgevraagd inzicht moeten geven in de grondstaffels die ten grondslag liggen aan de WOZ-waardebepaling. Die verplichting wordt niet begrensd door art. 40 Wet WOZ (welke bepaling uitgaat van beperkte openbaarmaking). Aan de omstandigheid dat de grondstaffels pas in het hoger beroep zijn verstrekt, heeft het hof de conclusie mogen verbinden de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten. De gemeente stelt dat in de bezwaarfase de grondstaffels nog niet raadpleegbaar waren in het softwareprogramma en dus ook niet konden worden verstrekt. Deze klacht is op zichzelf juist, omdat de heffingsambtenaar niet kan worden verplicht informatie te verstrekken die hij zelf niet kan raadplegen. De Hoge Raad wijst er echter op dat, als een belanghebbende de werking van een door de heffingsambtenaar gehanteerd softwareprogramma wil controleren en zo nodig wil betwisten, de heffingsambtenaar ervoor moet zorgen dat de keuzes, aannames en gegevens die bij dat softwareprogramma zijn gehanteerd, inzichtelijk en controleerbaar zijn. Op die manier wordt voorkomen dat de WOZ-beschikking, vanuit de belanghebbende bezien, het resultaat is van een ‘black box’. De heffingsambtenaar heeft dat inzicht niet tijdig gegeven, zodat de veroordeling in de proceskosten terecht is.
HR 17 augustus 2018, nr. 17/01448, Belastingblad 2018/367 (m.nt. B.S. Kats; BNB 2018/182, m.nt. E.B. Pechler; FED 2018/162, m.nt. G. Groenewegen; V-N 2018/42.18; ECLI:NL:HR:2018:1316 (gemeente Waalwijk)).
Casuïstische jurisprudentie. HR
X is het niet eens met de WOZ-waarde 2014 van zijn vrijstaande woning in de gemeente Waalwijk. De gemeente heeft de waarde bepaald op € 487.000. Tijdens een hoorzitting vraagt X om bekendmaking van de grondstaffels. De heffingsambtenaar wijst dit verzoek in de uitspraak op bezwaar af. X gaat in beroep en Rechtbank Zeeland-West-Brabant verlaagt de WOZ-waarde naar € 480.000.
Het hof (Hof 's-Hertogenbosch 13 april 2017, nr. 15/00910, Belastingblad 2017/331, m.nt. M. Noordegraaf, ECLI:NL:GHSHE:2017:1625) beslist dat de heffingsambtenaar de WOZ-waarde aannemelijk heeft gemaakt, maar kent wel een proceskostenvergoeding toe voor de beroeps- en hoger beroepsfase, omdat de heffingsambtenaar pas in hoger beroep de grondstaffel heeft willen verstrekken. De heffingsambtenaar is op grond van de artikelen 40 Wet WOZ en 7:4 Awb verplicht om dit gegeven desgevraagd te verstrekken (Hof 's-Hertogenbosch 10 februari 2017, nr. 15/01429, Belastingblad 2017/200). Door de weigerachtige houding van de heffingsambtenaar heeft X tot in hoger beroep moeten doorprocederen om een gefundeerd oordeel te krijgen over de waarde. Dit is reden om X een vergoeding toe te kennen voor de kosten van beroep en hoger beroep. Voor een vergoeding van de kosten van bezwaar is geen reden.
De Hoge Raad verwerpt het beroep in cassatie met toepassing van art. 81, lid 1, van de Wet RO.
HR 14 september 2018, nr. 17/02520, Belastingblad 2018/385 (ECLI:NL:HR:2018:1619) (gemeente Waalwijk)).
Het door belanghebbende in de bezwaarfase gedane en voor het hof herhaalde verzoek, om — naast de hem reeds verstrekte waardegegevens van de vergelijkingspanden — drie waardegegevens van vergelijkbare woningen uit de directe omgeving, drie waardegegevens van andere categorieën woningen en drie waardegegevens van woningen op andere locaties te verstrekken, is door de heffingsambtenaar niet gehonoreerd. In de procedure voor het hof heeft de heffingsambtenaar in zijn verweerschrift aangegeven op het verzoek niet te zijn ingegaan omdat belanghebbendes verzoek geen door deze geselecteerde woningen bevatte.
Op grond van art. 40 Wet WOZ kan de heffingsambtenaar op verzoek het waardegegeven van een bepaalde onroerende zaak verstrekken aan een ieder die kan aantonen uit hoofde van de belastingheffing te zijnen aanzien een gerechtvaardigd belang te hebben bij de verkrijging daarvan. Deze bepaling strekt ertoe dat de belastingplichtige bepaalde waardegegevens kan verkrijgen, waarover hij wenst te beschikken om te kunnen controleren of sprake is van een juiste waardevaststelling van zijn onroerende zaak. Gelet op de strekking en bewoordingen van dit artikel dient het verzoek om verstrekking van waardegegevens betrekking te hebben op bepaalde, door de belanghebbende aangewezen onroerende zaken. Dienovereenkomstig spreekt de door belanghebbende ingeroepen 'instructie gerechtvaardigd belang' van de Waarderingskamer over 'door de verzoeker geselecteerde woningen'.
Belanghebbendes klacht te dezer zake berust uitsluitend op de stelling dat niet hijzelf maar de heffingsambtenaar een selectie van de objecten diende te maken. Die stelling faalt, gelet op het hiervoor overwogene.
Opmerking verdient dat de heffingsambtenaar, alvorens het verzoek af te wijzen omdat het niet gespecificeerd is, op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel de belanghebbende in de gelegenheid dient te stellen het verzoek binnen een daartoe door hem gestelde termijn te specificeren. Dat die gelegenheid door de heffingsambtenaar niet is geboden, is evenwel door het Hof niet vastgesteld of door één der partijen aangevoerd. In cassatie kan dit punt van feitelijke aard niet worden onderzocht.
HR 21 april 2006, nr. 41 185, Belastingblad 2006, p. 572 (m.nt. Kruimel; BNB 2006/231; V-N 2006/21.2; www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=AW2326 (gemeente Winterswijk)).
Casuïstische jurisprudentie. Gerechtshoven
Het hof is van oordeel, gelet op de wettelijke grondslag voor de bepaling van de waarde van een onroerende zaak (artikel 22 Wet WOZ) alsmede voor de registratie van het waardegegeven (artikel 37a Wet WOZ) en de verstrekking daarvan aan belanghebbenden dan wel aan eenieder voor een onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dient (artikel 40 en 40a Wet WOZ), dat de Heffingsambtenaar met het nemen van de beschikkingen, het opleggen van de aanslagen en het eventueel (doen) verstrekken van het waardegegeven aan derden, niet onrechtmatig jegens belanghebbende heeft gehandeld. Evenmin is gebleken van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, schending van het recht op gezinsleven en/of schending van het recht op privacy. Voor zover belanghebbende dan ook heeft bedoeld te stellen dat de beschikkingen en de aanslagen hierom moeten worden vernietigd, faalt die stelling.
Hof Den Haag 24 januari 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:683, Belastingblad 2023/230, m.nt. J.C. Scherff (gemeente Rotterdam).
Belanghebbende is eigenaar van een woning waarvan de WOZ-waarde 2017 door Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap is vastgesteld op € 596.000. In bezwaar verlaagt de heffingsambtenaar de WOZ-waarde naar € 575.000. Belanghebbende beroept zich op een taxatieverslag op de website van de heffingsambtenaar met een waarde van € 508.000.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat belanghebbende geen rechten kan ontlenen aan het taxatieverslag met daarin een lagere WOZ-waarde. De waarde wordt bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld en niet via een taxatieverslag. Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat de vermelding van een WOZ-waarde van € 508.000 in het taxatieverslag bij hem tot verwarring heeft kunnen leiden, maar belanghebbende kon gelet op de ‘beschikte’ waarde van € 596.000 en de relatief hoge verkoopprijzen van de referentiewoningen niet menen dat de heffingsambtenaar de bedoeling had de WOZ-waarde vast te stellen op € 508.000. Zonder bijkomende omstandigheden, die hier ontbreken, kan aan het taxatieverslag derhalve niet het in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend dat de WOZ-waarde niet de in deze procedure aannemelijk geachte € 575.000 bedraagt maar het bedrag van € 508.000. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.
Hof Arnhem-Leeuwarden 30 juni 2020, 19/00543, ECLI:NL:GHARL:2020:5094, Belastingblad 2020/355, m. nt. Scherf; V-N 2020/47.1.3 (Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht).
Belanghebbende is eigenaar van een woning waarvan de WOZ-waarde is vastgesteld op € 405.000. Belanghebbende ontvangt van de gemeente een taxatieverslag met een waarde van € 337.000. Belanghebbende stelt dat de gemeente aan deze lagere waarde gebonden is.
Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat belanghebbende geen rechten kan ontlenen aan het taxatieverslag dat hij van de gemeente heeft gekregen met daarin een lagere WOZ-waarde. Belanghebbende had zich bij ontvangst van het taxatieverslag onmiddellijk kunnen realiseren dat de daarin vermelde waarde van € 337.000 onjuist was en daarmee niet werd beoogd de vastgestelde WOZ-waarde van € 405.000 te onderbouwen. Het zorgvuldigheidsbeginsel noch het vertrouwensbeginsel brengt mee dat de heffingsambtenaar gebonden is aan de waarde op het taxatieverslag. Het hof oordeelt dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is.
Hof Arnhem-Leeuwarden 7 januari 2020, 18/01223, ECLI:NL:GHARL:2020:178, V-N 2020/15.25.19.
Casuïstische jurisprudentie. Rechtbanken
Eiser betoogt, onder verwijzing naar artikel 40 Wet WOZ en de conclusie van de A-G bij het arrest HR 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1316, Belastingblad 2018/367, m.nt. B.S. Kats), dat verweerder voorafgaand aan de hoorzitting ten onrechte niet de door eiser in het bezwaarschrift gevraagde gegevens heeft verstrekt, in het bijzonder de taxatiekaart en de KOUDV- en liggingsfactoren. Rechtbank Den Haag overweegt dat de heffingsambtenaar in de bezwaarfase geen verplichting heeft om de op de zaak betrekking hebbende stukken toe te zenden, maar alleen stukken die ter inzage liggen en op verzoek. Art. 40 WOZ verplicht de heffingsambtenaar in de bezwaarfase niet de stukken toe te zenden aan de gemachtigde van de belanghebbende. In de bezwaarfase geldt immers art. 7:4 Awb. Art. 7:4 lid 2 Awb verplicht de heffingsambtenaar niet de op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het hoorgesprek aan belanghebbende toe te zenden. Ook het lid 4 kent niet zo’n verplichting. Het betreft hier alleen een afschrift van de ter inzage gelegde stukken en wel tegen vergoeding van maximaal de kosten van de afschriften.
Rb. Den Haag 23 februari 2021, AWB 19/7865, ECLI:NL:RBDHA:2021:2765, Belastingblad 2021/186, m.nt. S. Bosma; V-N 2021/20.25.47.
Belanghebbende bericht de gemeente Rotterdam in een brief als volgt: 'Hierbij verzoek ik u om voor de Wet Waardering Onroerende Zaken een afschrift van de gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde (taxatieverslag) van het volgende object te mogen ontvangen.'
Nog afgezien van het feit dat deze buiten de bezwaartermijn is ingediend, kan deze brief niet aangemerkt worden als een bezwaarschrift tegen de WOZ-beschikking die aan belanghebbende is opgelegd, zo oordeelt Rechtbank Rotterdam. Uit de brief van belanghebbende valt immers op geen enkele wijze op te maken dat bedoeld is om bezwaar te maken omdat eiser het met de WOZ-beschikkingen niet eens is. De brief kan niet anders worden opgevat dan als een verzoek ex artikel 40, tweede lid van de Wet WOZ.
Rb. Rotterdam 7 maart 2013, nr. 10/4785, Belastingblad 2013/190 (ECLI:NL:RBROT:2013:BZ5425 (gemeente Rotterdam)).
J.C.K.W. Bartel, ‘De WOZ-beschikking: het schip begint te wenden’, MBB 2024/1. Update van auteurs bijdrage ‘De WOZ-beschikking: het roer moet om’, opgenomen in WFR 2018/7260. De auteur constateert verbeteringen op het terrein van de gegevensverstrekking en het taxatieverslag, maar de conclusie blijft staan dat de WOZ-procedure zelf moet wijzigen om deze weer toegankelijk te maken voor de woningeigenaar die zijn eigen belangen behartigt. Daarbij kan het gras voor de voeten van no-cure-no-paybureaus weggemaaid worden. De heffingsambtenaren dienen hierbij het voortouw te nemen.
C. Klaassen-Broekhuizen, ‘De WOZ-beschikking: Is transparantie de sleutel tot succes?’, Vastgoed Fiscaal & Civiel, 2021/25, concludeert dat het gebrek aan transparantie bij het vaststellen van de jaarlijkse WOZ-waarde een belangrijke, zo niet de belangrijkste factor is die ervoor zorgt dat de WOZ-waarde vaak ter discussie wordt gesteld. Het standaard verstrekken van een taxatieverslag bij de WOZ-beschikking zou kunnen zorgen voor een gelijkwaardiger positie tussen de belanghebbende enerzijds en de heffingsambtenaar anderzijds. Daarnaast zou ook een model taxatieverslag kunnen worden verstrekt met meer onderliggende gegevens die de waarde opbouw ondersteunen. Technologische ontwikkelingen kunnen volgens de auteur wellicht uitkomst bieden voor de uitdagingen die ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet WOZ nog niet voorhanden waren. Een combinatie van het verstrekken van deze gegevens via het WOZ-waardeloket lijkt haar een logische volgende stap richting het vergroten van de transparantie en daarmee de rechtszekerheid.
S. Bosma, aantekening bij Rb. Den Haag 23 februari 2021, AWB 19/7865, ECLI:NL:RBDHA:2021:2765, Belastingblad 2021/186, stelt dat de gegevens die ingevolge de Awb kwalificeren als ‘op de zaak betrekking hebbend’ ingevolge jurisprudentie van de Hoge Raad behoren tot de in art. 40 lid 2 Wet WOZ bedoelde gegevens. In tegenstelling tot hetgeen de rechtbank beslist, dienen de gegevens die ingevolge art. 7:4 Awb ter inzage moeten worden gelegd, ingevolge art. 40 lid 2 Wet WOZ op verzoek te worden verstrekt aan degene te wiens aanzien een beschikking is genomen.
G.J. van Leijenhorst e.a., Wet waardering onroerende zaken, Deventer: Wolters Kluwer 2020 (vijfde druk), p. 13, 125-126.
M.P. van der Burg, Compendium Gemeentelijke belastingen en de Wet WOZ, Deventer: Wolters Kluwer 2019 (elfde druk), p. 252-255.
J.C.K.W. Bartel, 'Rechterlijke toetsing van de WOZ-beschikking: Het roer moet om', Belastingblad 2019/1, stelt dat openheid van zaken bij een geautomatiseerd proces een ongelijkwaardige procespositie van partijen voorkomt doordat de woningeigenaar de juistheid van de gemaakte keuzes en van de daarbij gebruikte gegevens en aannames kan controleren en zo nodig gemotiveerd kan betwisten. Er moet een einde komen aan het beleidsmatig weigeren van heffingsambtenaren om de aan de WOZ-beschikking ten grondslag liggende gegevens te verstrekken. De weg ligt dan open naar het aanvullen van het taxatieverslag tot een deugdelijk motivering van de beschikking. Indien de aan de WOZ-beschikking ten grondslag liggende gegevens alsnog het voorwerp van de bezwaar- en beroepsprocedure gaan vormen, is het in de beroepsfase inbrengen van een taxatierapport van de woning door de heffingsambtenaar niet meer nodig. De woningeigenaar hoeft ook niet meer een eigen deskundige in te schakelen om met enige kans te procederen, en de onzekerheidsmarge in taxaties is geen verdienmodel meer.
A-G IJzerman (concl. 25 september 2017, nr. 17/01448, Belastingblad 2017/467, V-N 2017/54.3, ECLI:NL:PHR:2017:1051) is van mening dat onder ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ ook gegevens vallen die zijn opgenomen in applicaties die door de inspecteur of heffingsambtenaar bij de belastingheffing zijn gebruikt. Afdrukken van in elektronische vorm vastgelegde gegevens horen daar ook bij (HR 20 december 2013, nr. 12/02985, BNB 2014/58). De grondstaffels die de gemeente gebruikt bij de WOZ-waardering, zijn volgens de A-G aan te merken als ‘op de zaak betrekking hebbende stukken’ die de heffingsambtenaar op eigen initiatief had moeten verstrekken. Deze verplichting ex art. 7:4 Awb doet volgens de A-G geen afbreuk aan art. 40 Wet WOZ, welke bepaling uitgaat van een beperkte openbaarheid van WOZ-gegevens. De A-G verwerpt de opvatting van het college van B en W dat de aangevallen uitspraak van het hof (Hof ’s-Hertogenbosch 10 februari 2017, nr. 15/01429, Belastingblad 2017/200, m.nt. L.J. Boone, ECLI:NL:GHSHE:2017:501) rechtsongelijkheid creëert, omdat deze uitspraak afwijkt van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De A-G adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep van B en W ongegrond te verklaren.
L.J. Boone, Openbaarheid van WOZ-waarden en WOZ-gegevens van woningen: de stand van zaken, Belastingblad 2014/319.