Einde inhoudsopgave
Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen
Artikel 13a
Geldend
Geldend vanaf 11-04-2026. Let op: treedt met terugwerkende kracht in werking vanaf 01-01-2026
- Bronpublicatie:
17-12-2025, Stb. 2025, 449 (uitgifte: 23-12-2025, kamerstukken: 36818)
- Inwerkingtreding
11-04-2026, terugwerkend tot: 01-01-2026
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
01-04-2026, Stb. 2026, 79 (uitgifte: 10-04-2026, kamerstukken: 36782)
- Afhankelijke geldigheid
Treedt tegelijk in werking met de Wet implementatie EU-richtlijn gegevensuitwisseling cryptoactiva (01-04-2026, Stb. 79).
- Vakgebied(en)
EU-recht / Bijzondere onderwerpen
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Inlichtingenuitwisseling en wederzijdse bijstand
1.
Indien Onze Minister vermoedt dat de aan hem door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat verstrekte gegevens en inlichtingen uit de bij die autoriteit ingediende bijheffing-informatieaangifte kennelijke fouten bevatten die moeten worden gecorrigeerd, stelt hij die autoriteit daarvan onverwijld in kennis.
2.
Indien Onze Minister een kennisgeving als bedoeld in artikel 13.1, vierde lid, van de Wet minimumbelasting 2024 heeft ontvangen, maar de gegevens en inlichtingen, bedoeld in artikel 8 bis sexies, tweede lid, van Richtlijn 2011/16/EU, niet heeft ontvangen binnen de termijn, bedoeld in artikel 8 bis sexies, derde lid, of artikel 27 quinquies, derde en vierde lid, van Richtlijn 2011/16/EU stelt hij de bevoegde autoriteit van de andere lidstaat daarvan onverwijld in kennis.
3.
Indien Onze Minister een kennisgeving als bedoeld in artikel 9 bis, tweede lid, eerste zin, van Richtlijn 2011/16/EU heeft ontvangen, stelt hij onverwijld vast op grond van welke reden hij geen toepassing heeft gegeven aan artikel 6i, eerste lid, en stelt hij de bevoegde autoriteit die de kennisgeving aan hem heeft verzonden binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving van die reden in kennis.
4.
Indien het derde lid van toepassing is en Onze Minister van oordeel is dat hij toepassing moet geven aan artikel 6i, eerste lid, stelt hij de bevoegde autoriteit, bedoeld in het derde lid, in kennis van de verwachte datum waarop hij toepassing geeft aan artikel 6i, eerste lid.
5.
De verwachte datum, bedoeld in het vierde lid, is gelegen binnen drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving.