Einde inhoudsopgave
Verordening (EU) 2024/1620 tot oprichting van de autoriteit voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010
Artikel 6 Bevoegdheden van de autoriteit
Geldend
Geldend vanaf 26-06-2024
- Bronpublicatie:
31-05-2024, PbEU L 2024, 2024/1620 (uitgifte: 19-06-2024, regelingnummer: 2024/1620)
- Inwerkingtreding
26-06-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
31-05-2024, PbEU L 2024, 2024/1620 (uitgifte: 19-06-2024, regelingnummer: 2024/1620)
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
EU-recht / Instituties
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
1.
Met betrekking tot geselecteerde meldingsplichtige entiteiten beschikt de autoriteit over de toezichts- en onderzoeksbevoegdheden als gespecificeerd in de artikelen 17 tot en met 21 en over de bevoegdheid om geldboeten en dwangsommen op te leggen als gespecificeerd in de artikelen 22 en 23.
De autoriteit heeft ook de bevoegdheden en verplichtingen die financiële toezichthouders krachtens het toepasselijke Unierecht hebben op het gebied van AML/CFT, tenzij in deze verordening anders is bepaald.
De autoriteit kan, voor zover zulks noodzakelijk is om de bij deze verordening aan haar opgedragen taken te verrichten, de financiële toezichthouders bij wijze van instructie verzoeken hun bevoegdheden op het gebied van AML/CFT uit te oefenen krachtens en overeenkomstig de in het nationale recht bepaalde voorwaarden, wanneer die bevoegdheden bij deze verordening niet aan de autoriteit zijn toegekend.
Met het oog op de uitoefening van de in de eerste en de tweede alinea bedoelde bevoegdheden mag de autoriteit bindende besluiten uitbrengen die tot individuele geselecteerde meldingsplichtige entiteiten zijn gericht. De autoriteit is bevoegd om overeenkomstig artikel 22 administratieve maatregelen toe te passen en geldboeten op te leggen wegens niet-naleving van de besluiten die zijn vastgesteld in het kader van de uitoefening van de in artikel 21 vastgestelde bevoegdheid.
2.
Met betrekking tot toezichthouders en toezichthoudende autoriteiten is de autoriteit bevoegd om:
- a)
te eisen dat voor de uitvoering van haar taken noodzakelijke gegevens of documenten, waaronder schriftelijke of mondelinge toelichtingen, worden ingediend, met inbegrip van statistische informatie en informatie over interne processen of regelingen van nationale toezichthouders en toezichthoudende autoriteiten, en die gegevens in de standaard gestructureerde vragenlijsten en andere door de autoriteit ontwikkelde online- en offlinetools te raadplegen en ze daaruit te extraheren;
- b)
richtsnoeren en aanbevelingen uit te brengen;
- c)
verzoeken tot optreden en instructies uit te brengen inzake op grond van afdeling 4 van hoofdstuk II te nemen maatregelen met betrekking tot niet-geselecteerde meldingsplichtige entiteiten;
- d)
op verzoek van een financiële toezichthouder of van een niet-financiële toezichthouder te bemiddelen;
- e)
op verzoek van financiële toezichthouders, met bindende kracht geschillen tussen financiële toezichthouders te beslechten, onder meer in het kader van de AML/CFT-toezichtcolleges.
3.
Met betrekking tot FIE's in lidstaten is de autoriteit bevoegd om:
- a)
bij FIE's niet-operationele gegevens en analyses op te vragen daar waar die nodig zijn voor de beoordeling van dreigingen, kwetsbaarheden en risico's op het gebied van ML/TF waarmee de interne markt wordt geconfronteerd;
- b)
informatie en statistieken met betrekking tot de taken en activiteiten van FIE's te verzamelen;
- c)
de informatie en gegevens te verkrijgen en te verwerken die nodig zijn voor het in gang zetten, de uitvoering en de coördinatie van gezamenlijke analyses zoals bedoeld in artikel 40;
- d)
richtsnoeren en aanbevelingen uit te brengen.
4.
Met het oog op de uitvoering van de in artikel 5, lid 1, bedoelde taken is de autoriteit bevoegd om:
- a)
ontwerpen van technische reguleringsnormen te ontwikkelen overeenkomstig artikel 49;
- b)
ontwerpen van technische uitvoeringsnormen te ontwikkelen overeenkomstig artikel 53;
- c)
richtsnoeren en aanbevelingen uit te brengen, zoals bepaald in artikel 54;
- d)
adviezen te verstrekken aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan de Commissie, zoals bepaald in artikel 55.