Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/5.3.2.5
5.3.2.5 Het begrip ‘redelijke en in redelijkheid gemaakte kosten van verweer’
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652437:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Bloembergen (onder 2) in zijn annotatie bij HR 16 oktober 1998, NJ 1999/196 (Amev/Staat). Vgl. ook HR 2 november 1962, NJ 1963/61, m.nt. L.J. Hijmans van den Bergh (De Jonge/Vezeno); HR 23 januari 1987 (r.o. 4.2), NJ 1987/555, m.nt. W.C.L. van der Grinten (Eilert/De Groot).
Vgl. Keirse 2003, p. 284-285.
Vgl. Conclusie A-G Timmerman (nr. 3.7) voor HR 26 september 2014, NJ 2015/84, m.nt. S.D. Lindenbergh (De Jonge/Scheper Ziekenhuis). Zie ook Keirse 2003, p. 283 en p. 286.
Zo ook Josephus Jitta 2020b, p. 729; OK 23 juni 2021 (r.o. 5.37), ARO 2021/132 (Delco Participation).
Voor vergoeding op de voet van art. 2:357 lid 6 BW komen slechts in aanmerking de redelijke en in redelijkheid gemaakte kosten van verweer. Art. 2:357 lid 6 BW sluit daarmee aan bij art. 2:350 lid 3 BW en art. 6:96 lid 2 BW, en bergt een dubbele redelijkheidstoets in zich. Of de kosten van verweer redelijk en in redelijkheid gemaakt zijn vergt niet een beoordeling van de noodzakelijkheid van de gemaakte kosten.1 Het gaat bij de dubbele redelijkheidstoets niet om een beoordeling van wat achteraf beschouwd het beste of goedkoopste zou zijn geweest. Ook tevergeefs gemaakte kosten kunnen voor vergoeding in aanmerking komen.2 Als achteraf blijkt dat de kosten van verweer lager hadden kunnen uitvallen, of de ermee gemoeide werkzaamheden goedkoper konden worden verricht, kan dat op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat de kosten van verweer niet redelijk of niet in redelijkheid gemaakt zijn.3 Zie hierover uitgebreider par. 3.3.2.3.
In art. 2:357 lid 6 BW ontbreekt het aan een met art. 2:350 lid 3 BW vergelijkbare bepaling, ‘in geval van geschil beslist de ondernemingskamer op verzoek van de meest gerede partij.’4 Niettemin kan de Ondernemingskamer mijns inziens in voorkomende gevallen op verzoek van de meest gerede partij – dat zal zijn de geënquêteerde rechtspersoon, een directe financier of een OK-functionaris – geschillen beslechten, waarover par. 4.11. De Ondernemingskamer kan op deze wijze in geval van geschil beslissen over of de kosten van verweer de dubbele redelijkheidtoets kunnen doorstaan.5 Van onredelijkheid zal daarbij overigens niet snel sprake zijn.