De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.4.2:3.4.2 1993 - Commissie van Es
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.4.2
3.4.2 1993 - Commissie van Es
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949694:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Es e.a. 1993.
Van Es e.a. 1993, p. 11.
Van Es e.a. 1993, p. 12.
Van Es e.a. 1993, p. 59.
Van Es e.a. 1993, p. 60.
Van Es e.a. 1993, p. 61.
Van Es e.a. 1993, p. 75.
Van Es e.a. 1993, p. 73.
Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen 1993, p. 6.
Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen 1993, p. 12.
Van Es e.a. 1993, p. 73.
Van Es e.a. 1993, p. 59-60.
Van Es e.a. 1993, p. 62.
Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen 1993, p. 27.
Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen 1993, p. 27
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De discussie over de rol van de leraar en het belang van het oprichten van een beroepsorganisatie begon in 1993 met het rapport van de Commissie Toekomst Leraarschap, onder leiding van Andrée van Es.1 Deze commissie had de taak om te adviseren over de rol, positie en waardering van het leraarschap op langere termijn en de daarmee samenhangende vraagstukken rond de lerarenopleidingen en de beroepsvereisten.2 De commissie concludeerde dat de problemen rond het leraarschap voor een groot deel terug te voeren waren op de steeds gedetailleerder en omvangrijker worden de centrale regelgeving. Ook zou de leraar zijn vak steeds geïsoleerder – achter gesloten klasdeuren – zijn gaan uitvoeren.3
De commissie constateert dat de leraar zijn vakmanschap uitoefent in de beslotenheid van de klas. De leraar neemt daardoor zonder ruggen-spraak allerlei beslissingen over het geven van onderwijs.4 Hij draagt hierdoor als enige de verantwoordelijkheid voor de processen die zich afspelen in zijn klas. Door deze isolatie is bemoeienis, kritiek of ondersteuning van buiten de klas bijna onmogelijk. Deze autonomie wordt door leraren enerzijds gezien als een van de verworvenheden van het vak, maar leidt anderzijds tot spanningen die in extreme gevallen een burn-out tot gevolg hebben.5 Dit kan voorkomen worden door een gemeenschappelijke aanpak van het onderwijs door het docentenkorps.6 Tevens kunnen leraren veranderingen in het onderwijs in gang zetten door buiten de grenzen van het klaslokaal te kijken.7
De commissie constateerde tevens dat door de toename van regels en de autonomie van de leraar, een kloof was ontstaan tussen de wetgever, het bevoegd gezag en de leraren. Daarnaast was de school verstard in een keurslijf van regelgeving. Volgens de commissie zou de school moeten uitgroeien tot een moderne professionele arbeidsorganisatie, door modernisering van de arbeidsverhoudingen, waarborgen voor de arbeidsomstandigheden van de leraar en kwaliteitsbewaking van het primair proces als een vanzelfsprekend onderdeel van het schoolbeleid.8 De door de commissie voorgestelde nieuwe school zou gezamenlijk gedragen moeten worden door leraren en het schoolmanagement en moet oog hebben voor de omgeving waarin ze functioneert. In de beleidsreactie op het rapport van de Commissie Toekomst Leraarschap, onderschreef het kabinet de hoofdlijnen van de visie van de commissie.9 Het kabinet gaf aan dat de scholen zelf verantwoordelijk zijn voor het vormgeven van de veranderingen in het leraarschap. Het kabinet zou hiervoor slechts de randvoorwaarden moeten opstellen.10
De commissie ging in haar advies ook in op de vertegenwoordiging van leraren op landelijk niveau. In tegenstelling tot andere beroepen met autonome professionals, zoals de advocatuur en de medische stand, ontbrak in het onderwijs een in beroepscodes neergelegde beroepsethiek.11 De leraar had geen krachtige beroepsvereniging die bijdraagt aan de verdere professionalisering van het beroep. Een dergelijke vereniging is volgens de Commissie niet ontstaan omdat het beroep van leraar in isolement voor de klas werd uitgeoefend.12 Leraren in een school geven parallel aan elkaar les en hebben geen mogelijkheid om samen te werken. Er is geen organisatie die onderlinge ondersteuning van leraren mogelijk maakt. De organisaties die zich destijds bewogen op het terrein van het beroep van de leraar waren versnipperd over verschillende zuilen en langs verschillende schoolvakken en niveaus.13 Van een gezichtsbepalende beroepsorganisatie was dan ook geen sprake, waardoor op het terrein van de onderwijsinhoud en professionalisering van het beroep van leraar een vacuüm was ontstaan.
De ontwikkeling van een krachtige beroepsvereniging van de leraren is volgens de Commissie noodzakelijk om het beroep van leraar verder te professionaliseren. In haar beleidsreactie nodigde het kabinet de beroepsgroep van leraren uit om zelf te komen tot de ontwikkeling van eigen kwaliteitsstandaarden.14 Deze standaarden zouden gepaard kunnen gaan met een register.15 De beroepsgroep zou daarmee een belangrijke bijdrage leveren aan de status van het beroep.