Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.3.2.4
II.5.3.2.4 Legaat met keuzemogelijkheid (ten aanzien van de legataris)
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS623199:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1992/93, 17141, 12, p. 39 (MvA II), Parl. Gesch. Inv. p. 1771. Zie ook Kamerstukken II 1991/92, 17141, 11, p. 15 (VV II), Parl. Gesch. Inv. p. 1771 en Zwalve 1983 naar aanleiding waarvan de vaste Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer de vraag stelt. Vgl. ook art. 775 Wetboek Lodewijk Napoleon ingericht voor het Koningrijk Holland, waarin wordt bepaald dat ‘Geen legaat kan gesteld worden aan de willekeur van den erfgenaam, of andere belaste personen, noch van een’ derden; doch de begrooting van het gelegateerde kan wel aan de bescheidenheid en het redelijk oordeel van den belasten persoon worden overgelaten, of gemaakt worden onder eene voorwaarde, die van de daad van een’ derden afhangt (curs. NB).’
Vgl. hiermee § 2151 BGB, in subparagraaf 3.3.4.1 ‘Vermächtnis’ onder A) ‘Person des Vermächtnisnehmers’.
Indien de derde in gebreke blijft met het doen van een keuze wordt de rechtsbetrekking tussen de in aanmerking komende personen en de met de uitkering van het legaat belaste persoon geregeld door art. 3:300 BW en art. 4:123 BW. Zie Kamerstukken II 1984/85, 17541, 7, p. 5 (VV II) en Kamerstukken II 1984/85, 17541, 8, p. 22-23.
In schril contrast met de zojuist aangehaalde Memorie van Toelichting en hetgeen hierin is opgemerkt over het door de erflater zelf aanwijzen van de legatarissen, staat de erkenning van de minister van ‘het legaat met keuzemogelijkheid’:
‘Het derde lid van artikel 4.3.1.2 regelt uitdrukkelijk dat een uiterste wilsbeschikking slechts door de erflater persoonlijk kan worden gemaakt. Daarmee blijft de mogelijkheid bestaan dat de erflater in zijn testament een derde aanwijst die zal bepalen wie van verscheidene door de erflater genoemde personen het legaat zal genieten. Wat de erflater niet is toegestaan is zijn beschikking afhankelijk te stellen van de willekeur van een ander (curs. NB).’1
Getuige deze passage kan erflater het toch aan een ander overlaten om te bepalen wie als legataris optreedt. Dit doet naar mijn mening recht aan het verbintenisrechtelijke karakter van het legaat en het soepele bepaaldheidsvereiste dat ten aanzien van verbintenisrechtelijke verhoudingen geldt. Bepaalbaarheid volstaat. Indien de erflater meerdere personen noemt, kan hij de keuze wie van deze genoemde personen het legaat zal ontvangen, aan een ander overlaten.2 Dit is in feite niet anders dan de in paragraaf 5.3.2.1 genoemde alternatieve keuze voor een erfgenaam of een derde om de legataris aan te wijzen uit door de erflater individueel of in een bepaalde hoedanigheid (‘bijvoorbeeld mijn kinderen’) genoemde personen. Dat een dergelijke alternatieve keuze is toegestaan, bleek ook reeds uit paragraaf 4.3.8.3.3 Deze alternatieve keuze moet overigens worden onderscheiden van de in paragraaf 4.3.8.2 en paragraaf 5.3.2.1 genoemde ‘vervangbaar gestelde persoon’, waar sprake is van een indeplaatsstelling. De in paragraaf 5.3.2.1 in dit kader gestelde vraag of de erflater X tot legataris kan benoemen en aan X daarbij de bevoegdheid kan geven om een ander in zijn plaats te stellen (bijvoorbeeld ‘X is legataris, tenzij X iemand anders als legataris aanwijst’), kan evenwel thans worden beantwoord aan de hand van bovengenoemde passage. Een ‘subsidiare’ aanwijzing door X zal mijns inziens mogelijk zijn indien erflater hierbij een afgebakende groep van personen noemt, waaruit X de keuze kan maken. Erflater dient anders gezegd, voor het geval de primaire legataris verwerpt, zelf een subsidair legaat te maken met als inhoud een alternatieve keuze voor X (die reeds het legaat had verworpen) uit een door erflater reeds afgebakende groep van personen.