Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.3.2.5
II.5.3.2.5 ‘Nader te noemen legataris’
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS622304:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Sowieso kan erflater natuurlijk ook een alternatief legaat maken, waarin X tot de groep van afgebakende personen behoort en waarbij X de bevoegdheid krijgt om uit deze groep ook zichzelf als legataris aan te wijzen.
Het bepaaldheidsvereiste dat geldt voor het legaat is hetzelfde bepaaldheidsvereiste als bijvoorbeeld voor de schenkingsovereenkomst geldt. Te weten het bepaaldheidsvereiste als bedoeld in art. 6:227 BW: bepaalbaarheid voldoet en bij het nader vaststellen van de inhoud van de rechtshandeling is er zelfs ruimte voor een subjectief element, zoals het oordeel van een derde. Zie over dit bepaaldheidsvereiste uitgebreid paragraaf 4.3.4. e.v.
Hiertoe zou men ook kunnen oordelen vanuit de gedachte dat de figuur van de nader te noemen meester een bijzondere figuur van vertegenwoordiging betreft en dit in het erfrecht niet is toegestaan op grond van art. 4:42 lid 3 BW. Het is dan immers in feite de legataris die het legaat maakt.
Kan de erflater nu ook een legaat maken en aan een derde de bevoegdheid geven om de legataris binnen vier weken na zijn overlijden aan te wijzen? Ofwel is het toegestaan om een legaat te maken waarin erflater bepaalt dat legataris zal zijn ‘de binnen vier weken na mijn overlijden nader – door X – te noemen persoon’? Een persoon die op het moment van overlijden dus nog geheel onbepaald is. Ik stelde deze vraag reeds in paragraaf 5.3.2.1 en 4.3.8.4 waarin ik over de figuur van ‘de nader te noemen meester’ sprak, in het bijzonder de variant waarin de handelende persoon (X) zichzelf niet als ‘meester’ (begunstigde) kan aanwijzen. Zou dit laatste wel mogelijk zijn, dan is er mijns inziens een waarneembare gelijkenis met de figuur van de ‘vervangbaar gestelde persoon’. De handelende persoon (X) zou dan opgevat kunnen worden als primaire legataris. Met betrekking tot de vraag of de primaire legataris een ander in zijn plaats kan stellen, indien hij zelf het legaat wenst te verwerpen, verwijs ik naar hetgeen ik in de vorige subparagraaf heb opgemerkt. Kort samengevat dient erflater dan zelf een subsidiair legaat te maken met als inhoud een alternatieve keuze voor X uit een door erflater afgebakende groep van personen.1
Wanneer X zelf niet als primaire legataris kan optreden (‘voor nader te noemen meester’ in plaats van ‘voor zich of nader te noemen meester’) is er op het moment dat de nalatenschap openvalt in het geheel nog geen sprake van een legaat, omdat een (primaire) legataris ontbreekt. Het bepaaldheidsvereiste verlangt evenwel dat het legaat een bepaalbare inhoud heeft.2 Dat wil met name zeggen een bepaald of bepaalbaar subject (de legataris) en een bepaald of bepaalbaar object (het vorderingsrecht). Van een bepaald of bepaalbare subject (legataris) kan naar mijn mening geen sprake zijn wanneer de erflater (anders dan bijvoorbeeld het ‘legaat met keuzemogelijkheid’ waarbij een derde een keuze mag maken uit een bepaalde groep van personen), nog geen enkel idee heeft wie legataris zal zijn. Het legaat kan met andere woorden pas tot stand komen wanneer X een legataris noemt. De erflater heeft zelf dus geen legaat gemaakt. Het bepaaldheidsvereiste staat het met andere woorden niet toe dat erflater een legaat maakt ten gunste van een geheel onbepaald persoon. Dat zou in strijd zijn met de materiële aard van het legaat.3
In paragraaf 4.3.8.4 stelde ik voorts nog de vraag hoe de relatie tussen erflater (en na aanvaarding van de nalatenschap: diens erfgenamen) en X moet worden geduid. Anders dan bij de figuur van de ‘nader te noemen meester’, waarin de handelende persoon aansprakelijk kan zijn voor eventuele schade die zijn ‘wederpartij’ ondervindt (art. 3:70 BW), is er in het geval van de onbepaalde legataris geen sprake van een rechtsbetrekking (zoals bijvoorbeeld volmachtverlening) tussen de erflater/ erfgenamen en X. X kan zodoende evenmin aansprakelijk worden gesteld voor het geval hij geen keuze maakt. Er is immers in het geheel geen sprake van een rechtsgeldig legaat.