Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.4.2.1
2.4.2.1 Artikel 262 Sr
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859168:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Janssens 1998, p. 153.
HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3498, NJ 2015/212, m.nt. N. Rozemond.
Diephuis 1847, p. 260 en Diephuis 1886, p. 55.
HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1243, HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2848, NJ 2017/6 en HR 30 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:967, NJ 2017/248.
HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2848, NJ 2017/6.
Vgl. concl. A-G P.C. Vegter, ECLI:NL:PHR:2016:1246, bij HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2848, NJ 2017/6.
HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2009.
Janssens, in: T&C Strafrecht, art. 261 Sr, aant. 9g (online, bijgewerkt tot en met 1 augustus 2023).
Zie par. 2.4.1.1.
Bij laster gaat het om een gekwalificeerd misdrijf van smaad of smaadschrift.1 De kwalificerende omstandigheid is ‘wetende dat het ten laste gelegde feit in strijd met de waarheid is’. Dat betekent dat een persoon zich schuldig maakt aan laster als hij (door middel van geschriften of afbeeldingen) opzettelijk iemands eer of goede naam aanrandt, door tenlastlegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel daaraan ruchtbaarheid te geven, terwijl hij weet dat dit feit in strijd is met de waarheid.2
Een onwaar feit is zowel een feit dat niet heeft plaatsgevonden als een gebeurtenis die op zichzelf heeft plaatsgevonden, maar de koppeling ervan aan de beschuldigde opzettelijk onwaar is.3 De woorden ‘wetende dat’ hebben hier volgens de Hoge Raad een bijzondere, beperkte betekenis van daadwerkelijke wetenschap. Voorwaardelijk opzet is voor laster niet toereikend.4 Dat brengt mee dat de woorden van Diephuis uit 19e eeuw hier nog altijd opgaan. Volgens Diephuis wordt de drempel van laster niet gehaald als de beschuldiging weliswaar onjuist of onwaar is, maar te goeder trouw is ingebracht. Bijvoorbeeld omdat de aanklager te goeder trouw heeft gedwaald. Het is volgens hem nodig dat de onware beschuldiging willens en wetens is gedaan met het oogmerk om de erflater te bekladden en tot zijn vervolging aanleiding te geven.5
Naast wetenschap dat het feit onjuist is, moet er sprake zijn van opzet op de aanranding van iemands eer of goede naam. Hierbij is voorwaardelijk opzet wel voldoende.6 Een persoon is in zijn eer en goede naam aangerand als zijn reputatie publiekelijk wordt geschaad of aangetast, door hem bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen.7 Tot slot vordert de wet als bijkomend oogmerk dat is gehandeld met het kennelijke doel van ruchtbaarheid. De lasteraar moet de beschuldiging ter kennis van het publiek brengen. Met zodanig ‘publiek’ is een bredere kring van betrekkelijk willekeurige derden bedoeld.8 Van ‘het kennelijke doel om ruchtbaarheid te geven’ kan ook sprake zijn indien de mededeling aan niet meer dan één persoon is gedaan.9 Bijvoorbeeld het uitspreken van de beschuldiging richting een journalist waarvan wordt verwacht dat deze de beschuldiging in de publiciteit brengt.10 Informatie die in de beslotenheid van de huiskamer aan een beperkte kring van geadresseerden wordt toevertrouwd, is daarentegen niet voldoende.11 Het kennelijke doel van ruchtbaarheid houdt in dat de lasteraar zich tenminste bewust moet zijn geweest van de omstandigheid dat derden van de beschuldiging kunnen vernemen.12
Terugkomend op de opmerking van Van der Kemp dat een eenvoudige tenlastelegging in een gesprek niet voldoende is, omdat het niet altijd het misdrijf laster oplevert, is de conclusie dat deze opmerking ten dele juist is.13 Een mededeling tijdens een gesprek kan het misdrijf laster opleveren. Het hangt af van de aard, inhoud en strekking van de mededeling en de persoon/kring van personen waaraan de mededeling wordt bekend gemaakt.