Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.4.2.2:2.4.2.2 Artikel 268 Sr
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.4.2.2
2.4.2.2 Artikel 268 Sr
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859091:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Janssens, in: T&C Strafrecht, art. 268 Sr, aant. 6 (online, bijgewerkt tot en met 1 augustus 2023). Zie voor de invulling van het begrip ‘aanranding van de eer of goede naam’ de opmerkingen bij art. 262 Sr in par. 2.4.2.1.
Diephuis 1886, p. 55.
Janssens 1998, p. 175.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij het misdrijf lasterlijke aanklacht moet het opzet van de lasteraar gericht zijn op het doen van een valse klacht of aangifte. De lasteraar moet weten dat de inhoud van de klacht of aangifte onjuist is, althans dat hij de reële kans daarop aanvaardt.1 Het opzet is (daarmee) tevens gericht op het overheidsoptreden dat het gevolg is of kan zijn van de valse klacht of aangifte. Verder geldt dat de lasteraar ook hier (voorwaardelijk) opzet moet hebben op de aanranding van de eer of goede naam van de persoon tegen wie de klacht of aangifte is gericht.2
Hieruit volgt dat voor de toepassing van artikel 268 Sr niet relevant is of de erflater daadwerkelijk is vervolgd, dan wel dat de valse aangifte of klacht enig overheidsoptreden heeft opgeleverd.
De lasteraar moet de klacht of aangifte schriftelijk inleveren of in schrift doen brengen. Onder schriftelijk inleveren wordt ook indiening via de elektronische weg begrepen.3 Van in schrift doen brengen is sprake als het orgaan de mondelinge klacht of aangifte op schrift stelt. Blijft de klacht of aangifte steken bij een mondelinge mededeling aan het overheidsorgaan, is slechts een klad opgemaakt of weigert de lasteraar de klacht of aangifte te ondertekenen (wat nodig is bij de ondertekening van het door de ambtenaar in schrift gestelde) dan is sprake van een strafbare poging.4 Hoewel de lasteraar strafrechtelijk dan niet vrijuit gaat, hoeft hij voor onwaardigheid niet te vrezen. Artikel 4:3 lid 1 sub c BW verbindt geen consequenties aan een poging tot het lasterlijk inbrengen van een beschuldiging. Of dit terecht is, komt in paragraaf 2.4.4 aan de orde.
Diephuis merkt nog op dat de klacht of aangifte moet zijn gedaan of ingediend bij een tot het innemen daarvan bevoegde macht.5 Voor zover hij hiermee tot uitdrukking brengt dat de klacht of aangifte moet zijn ingediend bij een orgaan dat bevoegd is tot het in ontvangst nemen daarvan, legt hij een strengere maatstaf aan dan artikel 268 Sr vordert. Dit is voor de toepassing van artikel 268 Sr niet relevant. Het artikel spreekt slechts van de overheid zonder dat zij qua betekenis wordt beperkt.6