Einde inhoudsopgave
Zoeken naar zekerheid (SteR nr. 46) 2019/4.2.3.1
4.2.3.1 De verklaringen van de asielzoeker
R.W.J. Severijns, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
R.W.J. Severijns
- JCDI
JCDI:ADS180391:1
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
UNHCR Handbook, par. 203 en 204.
EHRM 9 maart 2010 (R.C. t. Zweden), JV 2010/147, m.nt. T.P. Spijkerboer, par. 50.
EHRM 17 januari 2006 (Bello t. Zweden), nr. 32213/04.
Zie bijvoorbeeld de eerder aangehaalde uitspraken R.C. t. Zweden en Said t. Nederland.
De ACVZ wijst erop dat de Nederlandse taalversie van dit artikel niet overeenstemt met de Engelstalige versie. In de Engelstalige versie wordt niet gesproken van het gunnen van het voordeel van de twijfel, maar staat voorafgaand aan de vijf bovenstaande eisen dat: ‘Where Member States apply the principle according to which it is the duty of the applicant to substantiate the application for international protection and where aspects of the applicant’s statement are not supported by documentary or other evidence, those aspects shall not need confirmation when the following conditions are met [...]’, ACVZ 2016/1, p. 34.
Zie over de gevolgen hiervan bijvoorbeeld: ABRvS 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016: 890, m.nt. M. Reneman. In dit arrest oordeelt de Afdeling dat de bestuursrechter de meeste aspecten van een asielbesluit vol kan toetsen maar dat de staatssecretaris beslisruimte heeft bij de beoordeling van niet met bewijs gestaafde verklaringen en vermoedens, waardoor de bestuursrechter enige afstand moet houden. De rechter toetst of de staatssecretaris dergelijke verklaringen en vermoedens niet ten onrechte als ongeloofwaardig heeft aangemerkt (zie r.o. 3). Deze uitspraak luidde, zoals Reneman in haar noot schrijft, het einde in van de marginale rechterlijke toetsing van de geloofwaardigheidsbeoordeling in asielzaken (par. 1). Voor een nadere bespreking van de ontwikkelingen rondom de intensiteit van toetsing door de bestuursrechter in het asielrecht zie: R. Ortlep en W. Zorg, ‘Marginale rechterlijke toetsing onder druk: een voortgaande trend vooruit?’, in Ortlep 2016, p. 13-17.
ABRvS 27 januari 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF5566, 200206297/1, r.o. 2.4.5, JV 2003/103 en IND-werkinstructie 2010/14.
Om een voorbeeld te geven: als de asielzoeker vertelt dat hij regelmatig naar de markt ging, is dit in de meeste gevallen geen relevant element. Dit kan anders zijn als hij vertelt dat hij regelmatig naar de markt ging om daar kritische pamfletten op te hangen om te protesteren tegen een dictatoriale overheid.
ACVZ 2016/1, p. 28.
ACVZ 2016/1, p. 28.
In de vorige paragrafen heb ik al een aantal keren het belang van de verklaringen van de asielzoeker genoemd. Vanwege de eerder genoemde obstakels om de noodzaak van internationale bescherming onomstotelijk te bewijzen en de bewijsproblemen die in het asielrecht bestaan, wordt grote waarde gehecht aan verklaringen. Deze worden in de beoordeling door de IND als bewezen feit behandeld op het moment dat ze geloofwaardig worden bevonden. De geloofwaardigheidsbeoordeling van de verklaringen is dan ook een cruciaal onderdeel van de asielprocedure. In het UNHCR Handbook wordt geen uitgebreide beschrijving gegeven van de methodes om de geloofwaardigheid van de verklaringen van asielzoekers vast te stellen. Wel is in het UNHCR Handbook neergelegd dat de asielzoeker het voordeel van de twijfel moet worden gegeven, wanneer de beslissingsautoriteit kan concluderen dat al het beschikbare bewijs is verzameld en de asielzoeker in het algemeen als geloofwaardig kan worden beschouwd. De verklaringen van de asielzoeker moeten hiervoor volgens het UNHCR Handbook coherent en plausibel zijn en niet strijdig met feiten van algemene bekendheid.1 Ook het EHRM hanteert het voordeel van de twijfel als belangrijk principe. In verschillende uitspraken oordeelde het dat:
‘Owing to the special situation in which asylum seekers often find themselves, it is frequently necessary to give them the benefit of the doubt when it comes to assessing the credibility of their statements.’2
In andere uitspraken maakt het EHRM duidelijk dat niet van de asielzoeker wordt verwacht dat hij over alle gebeurtenissen en data gedetailleerd kan verklaren.3 Daarnaast benadrukt het EHRM dat een relaas zowel geloofwaardige als ongeloofwaardige verklaringen kan bevatten. De geloofwaardigheid van de asielzoeker moet volgens het EHRM worden beoordeeld op basis van de verklaringen die zien op de kern van het asielrelaas. Ongeloofwaardige verklaringen over elementen die niet zien op de kern van het relaas, hoeven volgens het EHRM niet te leiden tot het oordeel dat het relaas van de asielzoeker in het geheel ongeloofwaardig moet worden beschouwd.4
Ook artikel 4 van de Definitierichtlijn voorziet in een vergelijkbare bepaling over het voordeel van de twijfel als die van het UNHCR Handbook en de uitspraken van het EHRM. Volgens artikel 4, vijfde lid, van de Definitierichtlijn wordt de asielzoeker, ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal voor een aantal van zijn verklaringen, ‘geloofwaardig geacht’ en ‘wordt hem het voordeel van de twijfel gegund’ als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de verzoeker heeft een oprechte inspanning geleverd om zijn verzoek te staven;
alle relevante elementen waarover de verzoeker beschikt, zijn overgelegd, en er is een bevredigende verklaring gegeven voor het ontbreken van andere relevante elementen;
de verklaringen van de verzoeker zijn samenhangend en aannemelijk bevonden en zijn niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek;
de verzoeker heeft zijn verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk ingediend, tenzij hij goede redenen kan aanvoeren waarom hij dit heeft nagelaten, en
vast is komen te staan dat de verzoeker in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.5
Als aan deze voorwaarden is voldaan heeft de beslissingsautoriteit geen ruimte om anders te beslissen.
De integrale geloofwaardigheidsbeoordeling
De wijze waarop de geloofwaardigheid van verklaringen door de IND wordt beoordeeld, is tijdens mijn onderzoek, op 1 januari 2015 gewijzigd. Ook de toetsing van de geloofwaardigheidsbeoordeling door de rechter is sindsdien indringender geworden naar aanleiding van de implementatie van artikel 46, derde lid Procedurerichtlijn. Daarin is voorgeschreven dat het onderzoek van de rechter in asielzaken vraagt om een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feiten als het recht.6
Een deel van mijn interviews heeft plaatsgevonden voorafgaand aan deze wijzigingen. In de huidige situatie wordt gesproken van een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling door de IND. Voorheen was sprake van een gefaseerde geloofwaardigheidsbeoordeling. Voordat ik de huidige wijze van beoordelen door de IND bespreek, ga ik eerst kort in op de situatie voor 2015. Voordat in de oude situatie naar de inhoud van het asielrelaas werd gekeken, ging de IND eerst na of er sprake was van een in artikel 31 tweede lid, a tot en met f, Vreemdelingenwet 2000 (oud) genoemde contra-indicatie. Hiervan was onder andere sprake als de asielzoeker geen reis- of identiteitsbewijs kon overleggen, of als hij zich niet onverwijld na aankomst in Nederland had gemeld om asiel aan te vragen. Als een dergelijke contra-indicatie door de beslismedewerker aanwezig werd geacht, werd de bewijslast voor de asielzoeker verzwaard. Als deze omstandigheden zich niet voordeden, achtte de IND verklaringen geloofwaardig als de vreemdeling de gestelde vragen zo volledig mogelijk beantwoordde, het relaas op hoofdlijnen consistent en niet-onaannemelijk was en strookte met wat over het land van herkomst bekend was.7 Als er wel sprake was van een contra-indicatie werd de asielzoeker slechts geloofwaardig bevonden als van zijn verklaringen een positieve overtuigingskracht uitging (POK). Dat betekende dat er geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden mochten voorkomen in het relaas, op het niveau van de relevante bijzonderheden.
Deze wijze van geloofwaardigheidsbeoordeling is op 1 januari 2015 aangepast. Het gevolg hiervan was dat de aanwezigheid van de hierboven genoemde contra-indicaties niet langer leidt tot een verzwaring van de bewijslast. In plaats daarvan worden ze meegewogen in de gehele, zogenoemde integrale, geloofwaardigheidsbeoordeling.
In de werkinstructie is voorgeschreven dat dit proces in verschillende fasen verloopt. Allereerst worden de relevante elementen van het asielrelaas door de beslismedewerker geïdentificeerd. Een relevant element is een feit dat, of omstandigheid die, raakt aan tenminste één onderwerp dat of verhaallijn die verband houdt met een beschermingsgrond.8 Vervolgens maakt de beslismedewerker een beoordeling van de geloofwaardigheid van ieder afzonderlijk element, door per element de ‘geloofwaardigheidsindicatoren’ te wegen die een positieve dan wel negatieve indicatie kunnen vormen. Dan beoordeelt de beslismedewerker de geloofwaardigheid per element, maar nu betrekt hij daarbij de geloofwaardigheid van andere elementen en de onderlinge samenhang van diverse elementen en weegt hij die mee. Vervolgens stelt de beslismedewerker samenvattend vast welke elementen hij uiteindelijk als geloofwaardig beschouwt. Indien de beslismedewerker vindt dat er geloofwaardige elementen zijn, moet hij een inschatting maken van het risico dat de asielzoeker op grond daarvan, in combinatie met overige ambtshalve bekende informatie, bij eventuele terugkeer loopt. Vervolgens kwalificeert de beslismedewerkers de vermoedens over de risico’s: zijn de risico’s voldoende zwaarwegend om aan te nemen dat de asielzoeker bescherming behoeft? Ten slotte toetst de beslismedewerker of de asielzoeker een beschermingsalternatief op een andere locatie in het land van herkomst of in een ander land.
De medewerkers van de IND beoordelen de geloofwaardigheid op grond van de werkinstructie 2014/10 volgens een vaste volgorde. Allereerst stelt een beslismedewerker de relevante elementen van het asielrelaas vast. Artikel 4 Definitierichtlijn geeft een overzicht van elementen die relevant kunnen zijn. Samengevat weergegeven zijn dit:
De persoon van de asielzoeker (bijvoorbeeld zijn identiteit, nationaliteit en herkomst).
Persoonlijke omstandigheden van de asielzoeker (bijvoorbeeld zijn persoonlijke achtergrond en die van relevante familieleden, verblijf in andere landen, zijn reisroute, en/of zijn religieuze overtuiging of seksuele gerichtheid).
Hetgeen de asielzoeker persoonlijk is overkomen of hetgeen hij persoonlijk heeft meegemaakt (bijvoorbeeld arrestatie, gevangenschap, mishandeling of bedreiging door de autoriteiten of derden in het land van herkomst).
Situaties en gebeurtenissen in zijn land van herkomst (zoals oorlog, onderdrukking van minderheden, politieke onlusten, demonstraties).
Vervolgens beoordeelt de beslismedewerker of er sprake is van relevante elementen die voldoende zijn onderbouwd en daarmee zonder meer als vaststaand moeten worden aangemerkt. Het gaat hierbij om elementen die met objectieve bewijsstukken zijn onderbouwd, zoals documenten die authentiek zijn en die bevestigen wat de asielzoeker heeft verklaard en/of objectieve, openbare bronnen die de verklaringen bevestigen.9
Indien de asielzoeker een relevant element niet of onvoldoende kan onderbouwen met documenten of ander objectief bewijsmateriaal, dan trekt de IND aan de hand van ‘interne en externe geloofwaardigheidsindicatoren’ en na een ‘integrale weging’ een conclusie over de geloofwaardigheid van de relevante elementen. De interne indicatoren zien op de interne consistentie van de verklaringen en de mate van gedetailleerdheid en de vraag of de verklaringen specifiek genoeg zijn. De externe indicatoren zien op de consistentie met verklaringen van anderen (meegereisde familieleden) en met andere informatie zoals de in de Algemene Ambtsberichten neergelegde landeninformatie. De beslismedewerker beoordeelt vervolgens op basis van deze indicatoren welke relevante elementen worden aangemerkt als geloofwaardig en welke als ongeloofwaardig. De werkinstructie heeft als doelstelling te bevorderen dat deze beoordeling objectief, gestructureerd en transparant wordt uitgevoerd.10
De beslismedewerker bekijkt vervolgens de elementen die geloofwaardig worden beschouwd in onderlinge verhouding. Op basis hiervan formuleert hij vermoedens over de risico’s die de asielzoekers op basis van de geloofwaardig geachte verklaringen loopt. Als deze risico’s groot genoeg zijn, kwalificeert de beslismedewerker ze als zwaarwegend en is het aannemelijk dat de asielzoeker internationale bescherming behoeft.