Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/2.3.4
2.3.4 Beraming in groepsverband
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715475:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Hullu 2021, p. 150-151; Lacey 2016, p. 46; Heinrich 2009, p. 118; Prakken & Roef 2004, p. 226-227 en 230-231.
Zie ook: Ashworth & Horder 2013, p. 470. Verbruggen spreekt beeldend van een ‘strafrechtspersoon’ met zijn eigen intentie (Verbruggen 2004, p. 75).
Remmelink 1981, p. 227. Zo meent Remmelink dat bij samenspanning aan het daadstrafrechtbeginsel is voldaan, omdat de verdachten wel degelijk een soort handeling moeten verrichten, die neerkomt op de wederzijdse beïnvloeding van de betrokkenen (Remmelink 1981, p. 235).
Levanon 2012, p. 237; Verbruggen 2004, p. 74; Fletcher 2000, p. 133; Rutgers 1992, p. 142-144; De Jong 1989b, p. 183 en 189; Remmelink 1981, p. 227; Rudolphi 1979, p. 216. Vgl. ook: Van der Wilt 2007, p. 152; Weerman 2001, p. 42-49.
Ashworth & Horder 2013, p. 470.
Verbruggen 2004, p. 74.
Smith 2003, p. 208-209. Vgl. voor België: Verbruggen 2004, p. 74 en 113. Daar staat tegenover dat voor samenspanning naar Nederlands en Belgisch recht wél een min of meer concreet strafbaar feit in beeld moet zijn. Zie: Verbruggen 2004, p. 113.
Levanon 2012, p. 265.
Rudolphi 1979, p. 215. Vgl. de titel van het artikel van Garvey: ‘Are attempts like treason?’ (Garvey 2011).
Terugtreden uit een dergelijke groep wordt bemoeilijkt door angst voor represailles, omdat juist dergelijke groepen sterk in eigenrichting kunnen geloven (Rudolphi 1979, p. 215).
Remmelink 1981, p. 227.
Smith 2003, p. 200. Vgl. Reijntjes 1977, p. 427.
HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225, r.o. 5.4.
Dat hoeft overigens niet het enige doel van de organisatie te zijn, al ligt het voor de hand dat het tegelijkertijd onvoldoende is als het plegen van delicten van ondergeschikt belang is binnen de overige bedrijfsactiviteiten (Rutgers 1992, p. 150-153).
Aldus ook: Mols & Wöretshofer 1993, p. 65.
Keulen 2009a, p. 70.
Een derde type gedraging waarvoor in een communitaristisch strafrecht meer ruimte voor strafbaarstelling bestaat, zijn gedragingen in groepsverband. De toenemende aandacht in het strafrecht voor collectief handelen, groepsdynamiek en de functie van personen binnen groepen en organisaties – zoals onder meer blijkt uit de opkomst van functionalistisch daderschap – sluit goed aan bij een meer communitaristische visie op het strafrecht.1 Binnen de communitaristische theorie is immers veel meer ruimte voor het besef dat een organisatie veel meer is dan een verzameling individuen.2 In de voorfase zijn dan met name beramingsgedragingen in het kader van samenspanning en deelname aan een criminele of terroristische organisatie relevant.
Een eerste discussiepunt dat bij deze strafbare feiten rijst, is in hoeverre het hier om voorfasedelicten gaat. Volgens sommige auteurs moet een delict als samenspanning namelijk niet worden gezien als een voorfasedelict, maar als delictum sui generis.3 Het samenkomen van meerdere personen met criminele bedoelingen en de daaruit voortvloeiende groepsdynamiek, groepsidentiteit, onderlinge loyaliteit, afname van het individuele verantwoordelijkheidsgevoel en de gemaakte afspraken zouden op zichzelf reeds gevaar voor misdrijven in het leven roepen en daarmee een bedreiging voor de openbare orde vormen, zodat deze gedraging als zelfstandig strafbaar feit kan worden gezien.4 Indien meerdere deelnemers bij een feit betrokken zijn, zou dat volgens sommige auteurs ook een grotere mate van onrust veroorzaken bij slachtoffers en de samenleving.5 Niet voor niets plaatst de Belgische wetgever bendevorming in de titel over de openbare veiligheid, waarin gedragingen staan die geen individuele rechtsgoederen krenken, maar wel onrust in de samenleving veroorzaken.6
Vanuit het oogpunt van causaliteit zijn beramingsgedragingen nog ver van het voltooide delict verwijderd, maar vanuit communitaristisch perspectief valt er veel voor te zeggen dat het de groep als zodanig is die angst inboezemt, zelfs voordat duidelijk is welk delict ze willen plegen. Dat kan mogelijk verklaren waarom bij veel gevallen van strafbare deelneming in de voorfase – bijvoorbeeld onder de Nederlandse en Belgische strafbaarstelling van deelneming aan een (criminele of terroristische) organisatie en de Engelse conspiracy – nog niet duidelijk hoeft te zijn welk misdrijf precies wordt beoogd en waarom ook passieve deelnemingsgedragingen strafbaar zijn.7 De deelnemers roepen met hun enkele (passieve) lidmaatschap reeds de vrees op dat ze bereid zijn de activiteiten van de organisatie te steunen.8 Het lidmaatschap kan volgens sommige auteurs zelfs als een vorm van verraad aan de samenleving worden gezien, doordat de deelnemers hun steun betuigen aan een groep die zich afzet tegen de rest van de samenleving.9 Door zijn lidmaatschap sluit de dader zichzelf als het ware uit van de rechtsgemeenschap en loopt hij over naar een alternatieve, concurrerende ‘gemeenschap’.10 Onder meer het in verbinding treden met een buitenlandse mogendheid (artikel 97 Sr) en werving voor de gewapende strijd (artikel 205 Sr) kunnen in dat licht worden geplaatst.
Als de vorming van een groepsverband op zichzelf reeds een voltooid delict zou zijn, dan kunnen algemene leerstukken – zoals voorbereiding en poging – daarop van toepassing zijn.11 Voorbereiding van deelname aan een criminele organisatie zou dan ook strafbaar kunnen zijn. Vanuit liberaal oogpunt wordt het causale verband naar het grondfeit dan wel erg zwak, maar een dergelijke gedraging verschilt niet wezenlijk van een poging tot in verbinding treden met een buitenlandse mogendheid. Als de vrees voor de organisatie waarbij de verdachte probeert toe te treden voldoende groot is, lijkt een dergelijke strafbaarstelling vanuit communitaristisch perspectief niet bij voorbaat uit te sluiten. Wederom gaat het dan niet zozeer om de waarschijnlijkheid dat de organisatie schadelijke gevolgen zal veroorzaken, maar veel meer om de intentie van de deelnemers. Overeenstemming tussen meerdere deelnemers is daarbij vooral een indicatie van de vastheid van die intenties.12 Wat dat betreft is het niet vreemd dat de minister ook bij dit delict hoge eisen wil stellen aan de subjectieve zijde van het delict.13 De criminele organisatie moet het oogmerk hebben om misdrijven te plegen en de deelnemer moet wetenschap van dat doel hebben.14 Het op de koop toenemen van de kans dat een bepaald delict zal worden gepleegd (voorwaardelijk opzet) is dus niet genoeg.15
Gelet op het voorgaande lijken collectieve gedragingen in een communitaristisch strafrecht beter op hun plaats dan in een liberaal strafrecht. Tegelijk is het ook weer niet zo dat voorfasehandelingen enkel onrust veroorzaken indien zij in groepsverband worden verricht.16 Sterker nog: de handelingen van een lone wolf kunnen meer vrees oproepen dan die van een trage, logge organisatie. Ter illustratie wijst Keulen erop dat er in de politiek ook maar weinig weerstand leek te zijn tegen de veroordeling van Samir A. voor diens solistische voorbereiding.17 Het beperken van de strafbaarheid van voorbereiding tot groepsdelicten, lijkt vanuit communitaristisch oogpunt dan ook niet nodig. Wat dat betreft is het niet vreemd dat de wetgever het verenigingsvereiste bij voorbereiding heeft laten vallen.18