Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/7.4.4
7.4.4 Executie hypotheekrecht
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS613247:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Als gevolg van de Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het Burgerlijk Wetboek in verband met het transparanter en voor een breder publiek toegankelijk maken van de executoriale verkoop van onroerende zaken (“Wet Wijziging Executoriale Verkoop”) zijn het Rv en Boek 3 BW op 1 januari 2015 gewijzigd. Een bespreking van de Wet Wijziging Executoriale Verkoop gaat het doel van dit hoofdtuk te buiten. Zie: E. Vochteloo, ‘Wetswijziging executieveilingen in een notendop’, Bedrijfsjuridische berichten, 2015/15; F. Stroucken en J.J. Martinek-De Waal, ‘Wetsvoorstel internetveilen: de wijzigingen voor de hypotheekhouder’, Beslag en executie voor de rechtspraktijk 2014, nr. 5.
Art. 3:268 lid 4 BW jo. art. 547 lid 2 Rv. Vgl. SDU Commentaar art. 3:268, commentaar C.3.2, O.N.S. Hakvoort. Zie voor een praktijkvoorbeeld: r.o. 2.2.4 en 2.2.5, Rb Amsterdam 27 november 2012, ECLI:NL:RBAMS:2012:BY4260.
Art. 3:268 lid 4 BW jo. art. 547 lid 3 Rv.
Art. 3:268 lid 4 BW jo. art. 548 lid 1 Rv. Zie ook: MvT Wet Wijziging Executoriale Verkoop, p. 22; vgl. P.A. Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:268 BW. Vgl. M.L.M. Bindels e.a., ‘Uitwinningsperikelen’, in: Faillissement en vastgoed, INSOLAD Jaarboek 2012, p. 119.
Een uitzondering op deze bepaling volgt uit HR 17 juni 1994, NJ 1995/367: een hogere voorziening staat wel open indien de voorzieningenrechter buiten het toepassingsgebied van art. 3:268 BW is getreden, het artikel ten onrechte heeft toegepast dan wel buiten toepassing heeft gelaten of essentiële vormen heeft verzuimd.
HR 15 maart 2013, JOR 2014/270.
In de literatuur is gesteld dat de ruime uitleg alleen bij fiscale vraagstukken geldt; zie S.J.L.M. Bergen, ‘Oneigenlijke lossing als vorm van parate executie (?!)’, WPNR 7033 (2014), § 8. Met Faber en Vermunt (N.E.D. Faber, N.S.G.J. Vermunt, ‘Eigenlijke (wettelijke) en oneigenlijke (contractuele) lossing’, MvV 2015, nr. 07/08) meen ik dat de overwegingen van de Hoge Raad niet fiscaal zijn ingekleurd.
Vgl. r.o. 3.3.2, HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3149.
R.o. 3.3.1, HR 15 maart 2013, JOR 2014/270.
R.o. 3.4, HR 25 februari 2011, NJ 2012/74, JOR 2014/271, m.nt. N.E.D. Faber en N.S.G.J. Vermunt; NJ 2012/74, m.nt. F.M.J. Verstijlen. Vgl. R.D. Vriesendorp, ‘Onderhandse uitwinning van zekerheidsrechten’: Executoriaal of vrijwillig, ‘that is the question’ in: Groninger Zekerheid – Liber Amicorum Wim Reehuis, Deventer: Wolters Kluwer 2014, p. 463-465.
F.E.J. Beekhoven van den Boezem en G.J.L. Bergervoet, ‘Onderhandse verkoop, executie en verrekening’, in: Groninger Zekerheid – Liber Amicorum Wim Reehuis, Deventer: Wolters Kluwer 2014, p. 18; F.E.J. Beekhoven van den Boezem en R. van den Bosch, ‘Zekere zekerheid; het belang van zekere zekerheid voor de financiering van het bedrijfsleven’, MvV 2015, nr. 07/08, p. 206.
A. Steneker, ‘Uitbestede executie’, WPNR 7033 (2014), p. 918.
“De wet voorziet simpelweg niet in de mogelijkheid van een onderhandse executoriale verkoop van een met hypotheek bezwaard goed enkel op grond van een overeenkomst tussen de hypotheekgever, c.q. curator in het faillissement van de hypotheekgever, en de hypotheekhouder.” Aldus: N.E.D. Faber, N.S.G.J. Vermunt, ‘Eigenlijke (wettelijke) en oneigenlijke (contractuele) lossing’, Maanblad voor Vermogensrecht 2015, nr. 07/08; HR 15 maart 2013,JOR 2014/270; HR 25 februari 2011, NJ 2012/74, m.nt. F.M.J. Verstijlen; JOR 2014/271, m.nt. N.E.D. Faber, N.S.G.J. Vermunt.
Vgl. F.E.J. Beekhoven van den Boezem en G.J.L. Bergervoet, ‘Onderhandse verkoop, executie en verrekening’, in: Groninger Zekerheid – Liber Amicorum Wim Reehuis, Deventer: Wolters Kluwer 2014, p. 17-19; noot F.M.J. Verstijlen onder HR 25 februari 2011, NJ 2012/74, § 8.
N.E.D. Faber, N.S.G.J. Vermunt, Eigenlijke (wettelijke) en oneigenlijke (contractuele) lossing’, MvV 2015, nr. 07/08, § 6 en HR 25 februari 2011, NJ 2012/74,JOR 2014/271, m.nt. N.E.D. Faber en N.S.G.J. Vermunt, § 6: “Ten aanzien van een eigenlijke lossing bepaalt art. 68 lid 2 Fw dat de curator de machtiging van de rechter-commissaris behoeft. Voor een onderhandse executoriale verkoop door de curator op de voet van art. 101 of art. 176 Fw is blijkens deze bepalingen de toestemming van de rechter-commissaris vereist. Met betrekking tot een oneigenlijke lossing wordt in de wet niets bepaald en, indien men de nieuwe benadering van de Hoge Raad volgt, is geen van de genoemde regelingen die uitgaan van een vorm van preventief rechterlijk toezicht, dwingendrechtelijk van toepassing. Daardoor zou een oneigenlijke lossing slechts onderworpen zijn aan het algemene toezicht van de rechter-commissaris ingevolge art. 64 Fw, hetgeen ons ongelukkig en ongewenst voorkomt.”
N.E.D. Faber, N.S.G.J. Vermunt, Eigenlijke (wettelijke) en oneigenlijke (contractuele) lossing’, Maanblad voor Vermogensrecht 2015, nr. 07/08, § 6; HR 15 maart 2013, JOR 2014/270 en HR 25 februari 2011, NJ 2012/74, m.nt. F.M.J. Verstijlen; JOR 2014/271, m.nt. N.E.D. Faber, N.S.G.J. Vermunt. § 6; R.D. Vriesendorp, ‘Onderhandse uitwinning van zekerheidsrechten: Executoriaal of vrijwillig, ‘that is the question’ in: Groninger Zekerheid – Liber Amicorum Wim Reehuis, Deventer: Wolters Kluwer 2014, p. 464.
R.o. 3.1.3, HR 15 maart 2013, JOR 2014/270.
Art. 3:270 lid 1 BW luidt: “De koper is gehouden de koopprijs te voldoen in handen van de notaris, te wiens overstaan de openbare verkoop heeft plaatsgevonden of door wie de akte van overdracht ingevolge de onderhandse verkoop is verleden. De kosten van de executie worden uit de koopprijs voldaan.”
I. Visser, ‘Een zo hoog mogelijke netto-opbrengst bij de executoriale verkoop van onroerende zaken’, MvV, 2014, nr. 4, p. 98.
Rb Oost-Brabant (vzr.) 10 september 2015, JOR 2015/244, m.nt. I. Visser, § 6; annotatie A.I.M. van Mierlo bij HR 5 september 2008, NJ 2009/154; JOR2008/ 320, m.nt. Steneker.
Art. 3:273 BW.
Dit hoofdstuk beoogt geen overzichtsartikel te zijn ten aanzien van deze problematiek. In dit verband wordt verwezen naar recent bijv.: R.M. Wibier en F.A. van Tilburg, ‘Verrekening na faillissement; art. 54 Fw en de centrale positie van banken in het betalingsverkeer’, Nederlands Tijdschrift voor Handelsrecht, 2015-5, p. 249-257; B. Wessels, ‘Verrekening na faillissement’,Nederlands Tijdschrift voor Handelsrecht, 2015-5, p. 231-248.
Zie: HR 8 juli 1987, NJ 1988/104 (Loeffen q.q./Mees & Hope I); HR 7 oktober 1988,NJ 1989/449 (AMRO/Curatoren THB); HR 17 februari 1995, NJ 1996/471 (Mulder q.q./CLBN); en HR 7 november 2003, JOR 2004/57, m.nt. Faber (Bouma q.q. en Lemstra q.q./Van der Heijden).
HR 23 april 1999, NJ 2000/30, JOR 1999/109, m.nt. Verhagen (Van Gorp q.q./ Rabobank) en HR 19 november 2004, NJ 2005/199, JOR 2005/19, m.nt. Steneker (ING/Gunning q.q.).
R.o. 3.4.2, HR 14 februari 2014, NJ 2014/264 (Feenstra q.q./ING). Zie ook hierna§ 7.5.1.
HR 19 november 2004, NJ 2005/199, m.nt. P. van Schilfgaarde (ING/Gunning q.q.). Vgl. bijv. N.E.D. Faber in TvI 2005/15 of F.H. van der Beek en K.A. Messelink in TvI 2014/23.
R.o. 3.11, HR 19 november 2004, NJ 2005/199 (ING/Gunning q.q.).
HR 17 februari 1995, NJ 1996/471, m.nt. W.M. Kleijn (Mulder q.q./CLBN).
De executoriale verkoop van onroerende zaken door een hypotheekhouder moet ook in het openbaar plaatsvinden,1 maar afwijken van deze hoofdregel kan op grond van art. 3:268 lid 2 BW. Op verzoek van de hypotheekhouder, de hypotheekgever of – sinds de Wet Wijziging Executoriale Verkoop2 – de executoriaal beslaglegger, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank bepalen dat de verkoop onderhands geschiedt op grond van een overeenkomst die hem ter goedkeuring wordt voorgelegd. Hiervoor moet de formele route van de openbare verkoop zijn opgestart (dus na aankondiging op grond van art. 515 Rv e.v.), waarna bieders tot twee weken vóór de bepaalde verkoopdag onderhands op de te executeren zaak bij de notaris een bod kunnen doen.3 De notaris stuurt de biedingen naar de hypotheekhouder en de hypotheekgever.4 Vervolgens kan tot één week vóór de verkoopdag bij de voorzieningenrechter van de rechtbank een verzoekschrift tot onderhandse verkoop worden ingediend.5 Op grond van art. 3:268 lid 3 BW staat tegen de beschikking van de voorzieningenrechter geen hogere voorziening open.6
Uit het arrest De Staatssecretaris van Financiën/X7 (“Motorpassagierschip-arrest”) lijkt te kunnen worden afgeleid dat de Hoge Raad art. 3:268 lid 2 BW ruim uitlegt.8 Hij oordeelt in dit arrest dat er – in geval van verzuim – bij onderhandse verkoop van een met hypotheek bezwaard goed op grond van een overeenkomst tussen de hypotheekgever (c.q. curator in het faillissement van de hypotheekgever) en de hypotheekhouder sprake is van een executoriale verkoop,9 ook al is niet voldaan aan de voorwaarden die art. 3:268 lid 2 BW stelt.10 Dit houdt dus in dat noch een openbare verkoop ten overstaan van een notaris plaatsvindt, noch het onderhandse bod ter goedkeuring aan de voorzieningenrechter wordt voorgelegd. Als gevolg van de overeenkomst vindt de verkoop plaats ten behoeve van de hypotheekhouder (die zich als separatist kan verhalen op de opbrengst). Hetzelfde geldt bij verkoop door de curator na overeenstemming tussen de curator en de hypotheekhouder. Deze systematiek vloeit voort uit ING/Hielkema q.q. waarin de Hoge Raad heeft bepaald dat oneigenlijke lossing “zowel bij pand als bij hypotheek” een vorm van executie is die moet worden onderscheiden van de wettelijke of eigenlijke lossing zoals bedoeld in art. 58 lid 2 Fw.11
Ondertussen is veel over deze problematiek geschreven. Zo is beargumenteerd dat het oordeel dat de overeenkomst tussen de hypotheekhouder en de hypotheekgever tot verkoop ook buiten faillissement leidt tot het uitoefenen van het recht van parate executie door de hypotheekhouder, in strijd is met art. 3:268 lid 2 BW en moet worden gezien als “slip of the pen” van de Hoge Raad.12 Een overeengekomen onderhandse verkoop die niet voldoet aan de eisen van art. 3:268 lid 2 BW zou in faillissement vanwege kort gezegd het toezicht van de rechter-commissaris en de betrokkenheid van de curator echter wel een executoriale verkoop kunnen zijn.13 Ook wordt gesteld dat de hypotheekhouder en de curator overeen kunnen komen dat de curator zijn “eigen executiebevoegdheid” aanwendt ten behoeve van de pand- of hypotheekhouder en dat de verkoop in dat geval kan worden aangemerkt als een executie van dat pand- of hypotheekrecht.14 Volgens anderen kan de hypotheekhouder echter niet op een andere wijze verhaal nemen dan genoemd in art. 3:268 BW. Een daartoe strekkend beding is nietig op grond van art. 3:268 lid 5 BW.15
Op grond van de ratio van een executietraject en het te bereiken resultaat dient art. 3:268 BW naar mijn mening in faillissement ruim te worden uitgelegd. Dit houdt in dat het verkoopproces voor de opbrengstmaximalisatie zo efficiënt mogelijk moet zijn ingericht (en onderhandse executoriale verkoop zonder de in de wet genoemde voorbereidingshandelingen plaats moet kunnen vinden), terwijl anderzijds voldoende toezicht wordt behouden om geen afbreuk te doen aan andermans (mogelijke) rechten. In faillissement lijkt deze waarborg door de betrokkenheid van de curator en de rechter-commissaris ex art. 101 Fw jo. art. 176 lid 2 Fw aanwezig te zijn.16 Er is in de literatuur echter onduidelijkheid over de vraag of de toestemming van de rechter-commissaris ook is voorgeschreven bij oneigenlijke lossing/onderhandse executoriale verkoop door de curator.17 Het zou goed zijn als de Hoge Raad op dit punt nog helderheid verschaft.18 In het Motorpassagierschip-arrest heeft de rechter-commissaris de door de curator verzochte toestemming gegeven.19 Het lijkt mij dat curatoren de betreffende toestemming tot onderhandse executoriale verkoop in de praktijk ook zullen verzoeken. Bovengenoemde opvattingen richten zich vooral op art. 3:268 lid 2 en lid 5 BW. In paragraaf 7.5 analyseer ik welke rol art. 3:270 BW speelt bij credit bidding.20
Naast de wijzen van executoriale verkoop bestaat de mogelijkheid van niet-executoriale verkoop, bijvoorbeeld doordat de hypotheekgever op grond van een overeenkomst tussen de hypotheekhouder en –gever tot verkoop overgaat. Een alternatief is dat de hypotheekgever aan de hypotheekhouder een (onherroepelijke) volmacht verstrekt om de woning onderhands te verkopen en te leveren. Dit van de executoriale verkoop afwijkende alternatief komt niet in strijd met het toe-eigeningsverbod, omdat geen sprake is van toe-eigening maar van verkoop. Ook komt de verkoop niet in strijd met het verbod op een andere wijze van verhaal, omdat geen sprake is van verhaal.21 Een nadeel van niet-executoriale verkoop is dat de hypotheekhouder die wil overgaan tot onderhandse verkoop “vrij van hypotheken en beslagen” daarvoor een volmacht tot royement van de hypotheekhouders moet hebben en dat beslagen worden opgeheven.22 Daarentegen vindt zuivering bij levering van een registergoed als gevolg van een executoriale verkoop en voldoening van de koopprijs wél plaats.23 Dit is een belangrijke reden om de verkoop te kunnen kwalificeren als executoriaal.
De vraag of een verkoop wel of niet executoriaal is, speelt voorts een grote rol voor de vraag of verrekening ingevolge art. 53 en 54 Fw al dan niet is toegestaan.24 Immers, als een bankrekening wordt gecrediteerd als gevolg van een opdracht van een derde, dan ontstaat daardoor een schuld van de bank aan de rekeninghouder. Het ontstaan van zo’n schuld is schuld overneming in de zin van art. 54 Fw.25 Dit is niet anders wanneer de creditering het gevolg is van de betaling aan de rekeninghouder van een door hem verkocht goed waarop een pand- of hypotheekrecht van de bank rustte.26 Bij een executoriale verkoop is art. 54 Fw niet van toepassing.27 Bij een niet-executoriale verkoop zijn ter voorkoming van de gevolgen van art. 54 Fw door de Hoge Raad in ING/Gunning q.q. alternatieven gepresenteerd.28 De verkoopopbrengst van de verhypothekeerde of verpande goederen komt ten eerste “verrekeningsproof” aan de bank toe wanneer de koper de koopsom niet betaalt aan de verkoper maar rechtstreeks aan de bank. Ten tweede is dit het geval als de vordering tot betaling van de koopsom wordt verpand aan de bank, waarna de koper aan de bank betaalt op grond van haar inningsbevoegdheid (openbaar pandrecht) of betaalt aan de verkoper/eigenaar op diens rekening bij de bank.29 De bank mag dan altijd – ook in het zicht van of tijdens faillissement – in rekening-courant verrekenen.30