Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/5.6.7
5.6.7 Declaratieve wijzigingen
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS411320:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Popelier 1997, p. 330-331 en Popelier 1999a, p. 192-193.
Peeters 1994b, p. 56-57 merkt terecht op dat een omzetting in regelgeving gevolgen heeft voor het regime van sanctioneringen en voor de geldingsduur.
Besluit Staatssecretaris van Financiën van 23 augustus 2002, nr. CPP2002/2479M, V-N 2002/42.9.
Art. II onderdeel C Technische herstelwet 2003, Stb. 2003, 528.
De lagere rechters zijn formeel niet gebonden aan een oordeel van de Hoge Raad, maar één van beide partijen zal vermoedelijk doorprocederen tot de Hoge Raad indien sprake is van een ‘rebellerende’ rechter.
EHRM 20 november 1995, nr. 17849/91 (Pressos Compania Naviera SA e.a.), BNB 1996/123 (m.nt. Feteris).
Arbitragehof 5 juli 1990, nr. 25/90, B.S. 6 oktober 1990.
EHRM 20 november 1995, nr. 17849/91 (Pressos Compania Naviera SA e.a.), BNB 1996/123 (m.nt. Feteris), ro. 42.
HR 24 mei 2002, nr. 37 021, BNB 2002/262 (concl. A-G Groenveld; m.nt. Juch).
Kamerstukken II 2003/04, 29 381, nr. 3, p. 8 en 27. Zie bijlage B.
Zie o.a. Kamerstukken II 2003/04, 29 381, nr. 4, p. 9; een kritische houding in de literatuur is o.a. te vinden in Meussen 2003, Cornelisse 2004 en Pauwels 2004.
Popelier onderscheidt in haar onderzoek drie vormen van declaratieve wetswijzigingen:
herhaling van de oorspronkelijke bepaling;
codificering van de praktijk; en
herstel van de onvoorziene gevolgen van een arrest conform de toestand zoals die bestond voordat het arrest werd gewezen.1
Doordat declaratieve wetswijzigingen geen veranderingen ten opzichte van de oude situatie teweegbrengen, kunnen zij niet leiden tot een aantasting van het rechtszekerheidsbeginsel. Om die reden zijn declaratieve wetswijzigingen naar hun aard voorzienbaar.
De eerste vorm van declaratieve wetswijzigingen, herhaling van de oorspronkelijke bepaling, komt met name voor bij algehele belastingherzieningen. Bij de invoering van de Wet IB 2001 is bijvoorbeeld een groot aantal bepalingen uit de Wet IB 1964 – al dan niet in aangepaste bewoordingen – overgenomen, zonder dat een inhoudelijke wijziging was beoogd.
De tweede vorm, codificering van hetgeen in de praktijk reeds gebeurde, doet zich bijvoorbeeld voor indien beleidsregels worden gecodificeerd.2 Als voorbeeld kan worden genoemd het besluit van de staatssecretaris van 23 augustus 2002.3 Op grond van dit besluit werden op 31 december 2000 bestaande schulden die zijn aangegaan ter betaling van oversluitkosten aangemerkt als eigenwoningschuld. Per 1 maart 2004 is deze regel met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 omgezet in wetgeving.4
De derde vorm die Popelier onderscheidt, herstel van een rechterlijke uitspraak, doet zich in Nederland volgens mij niet voor omdat uitspraken van de Hoge Raad hier te lande – praktisch beschouwd – bindend zijn.5 Popelier behandelt dit aspect niet, maar wijst er wel op dat geen sprake is van een declaratieve wetswijziging indien de nieuwe regel de toestand van vóór het arrest beoogt te herstellen, terwijl het arrest enigszins voorzienbaar was. Aanleiding voor haar kritische kanttekening is de uitspraak van het EHRM in de zaak Pressos Compania Naviera e.a.6 In casu ging het om de vraag of wetgeving die een aansprakelijkheidsbeperking van de staat voor loodsen omvatte, met dertig jaar mocht terugwerken. Het Belgische Arbitragehof achtte de terugwerkende kracht toelaatbaar, onder meer omdat tot het verschijnen van een uitspraak van het Belgische Hof van Cassatie in 1983 ervan uit werd gegaan dat een beperkte aansprakelijkheid gold.7 Het EHRM deelde dit oordeel niet. Het EHRM besliste dat op grond van eerdere jurisprudentie en het advies van de Raad van State bij de invoering van de Loodsenwet in 1967 het arrest van het Hof van Cassatie uit 1983 voorzienbaar was.8 Bij de reparatie van HR 24 mei 20029 (aankoopkosten deelneming) beriep de wetgever zich eveneens op de onvoorzienbaarheid van het arrest van de Hoge Raad. Aangezien volgens de wetgever vóór het verschijnen van het arrest vrij algemeen werd aangenomen dat de niet-aftrekbaarheid van aankoopkosten geldend recht was, was er volgens hem reden om de gevolgen van het arrest met terugwerkende kracht ongedaan te maken.10 Uiteindelijk is de terugwerkende kracht voor een belangrijk deel teruggenomen. Een belangrijke reden hiervan was dat de getroffen overgangsmaatregel was gestoeld op een discutabele uitleg van het regime zoals dat gold vóór 24 mei 2002.11
Indien een arrest wordt gewezen dat onvoorzienbaar was, moet – gelet op het gezag van gewijsde van een arrest van de Hoge Raad – de wetgever wel zeer adequaat reageren wil er sprake kunnen zijn van een declaratieve wetswijziging. Ik verwacht niet dat die situatie zich zal voordoen.