Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/3.2.2
3.2.2 Voorlopers van de stichting: klassieke doelvermogens en piae causae
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS384881:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De term “doelvermogen” heeft geen vastomlijnde betekenis. Deze term zou kunnen worden gebruikt om elke algemeenheid van goederen aan te geven (Polak 1960, p. 13). Zo zou bijvoorbeeld een inzameling van gelden voor een bepaald doel als een doelvermogen kunnen worden beschouwd (Van der Ploeg 1986, p. 113, Polak 1956, p. 44, en Scholten 1908). Een “inzameling” is echter geen afzonderlijke in de wet geregelde rechtsfiguur. Doelvermogens kunnen bovendien worden gezien als de voorlopers van een fonds op naam. Een fonds op naam heeft geen rechtspersoonlijkheid. De insteller van een fonds op naam vermaakt of schenkt vermogen, bijvoorbeeld een kunstcollectie, aan een bestaande rechtspersoon. Laatstgenoemde krijgt daarbij de last opgelegd het vermogen te beheren onder de door de insteller gewenste naam – vaak zijn eigen naam of familienaam – en mag slechts bestedingen doen conform het vastgestelde doel. Zie ook Scholten 1923, p. 21-25, die de “making met een last voor een niet-persoonlijk doel” en de stichting naast elkaar stelt.
Van der Ploeg 1978, p. 36. Zie over “doelvermogens” ook Van Veen 2011, p. 14-21.
Het ius commune, het gemeenschappelijke recht van continentaal Europa vanaf de Middeleeuwen tot aan de 19e eeuw, is voor een belangrijk deel gefundeerd op (1) het Corpus Iuris Civilis dat op basis van Romeinsrechtelijk materiaal is opgesteld op bevel van keizer Justinianus; en (2) het Corpus Iuris Canonici dat teruggaat op de middeleeuwse Christelijke Kerk en voor een belangrijk deel bestaat uit de optekening door de monnik Gratianus. Schrage 1992, p. 103, en Hallebeek 2006.
In het Corpus Iuris Civilis, dat bestaat uit de Instituten, de Digesten en de Codex, zijn voorbeelden te vinden van wat men doelvermogens noemt. De Digesten bevatten fragmenten uit juristengeschriften die dateren uit de klassieke periode van het Romeinse recht (eerste tot midden derde eeuw na Christus). De Codex bevat een selectie van keizerlijke beslissingen die dateren uit de tweede tot de zesde eeuw. De teksten in de Digesten en de Codex zijn in het algemeen casuïstisch te noemen. Zie ook Hallebeek 2006, p. 3.
Uit de Digesten blijkt van de mogelijkheid van overdracht (bij leven of bij overlijden) aan municipia en collegia onder de verplichting dat vermogen voor een bepaald doel te beheren. Zie onder meer Dig. 30, 117: “Als iets aan een stad is nagelaten, is het in zijn geheel geldig, ongeacht of het voor uitdeling nagelaten is, voor een openbaar werk, voor het levensonderhoud of de opvoeding van kinderen, of voor iets anders.” en Dig. 30, 23: “Aan steden kan ook iets gelegateerd worden dat tot het aanzien en de verfraaiing van de stad bijdraagt, […].” De erflater vertrouwde er op dat de municipia het vermogen conform zijn bestemming (vaak een algemeen cultureel of sportief doel) zouden besteden, maar het nagelaten vermogen ging wel deel uit maken van het totale vermogen van de municipia of collegia en volgde dus het lot daarvan. De municipia en collegia leken daarbij slechts “fiduciair eigenaar” te worden, maar lang niet altijd was de juridische constructie van deze doelvermogens duidelijk. In de Digesten zijn diverse voorbeelden te vinden waarin een erflater aan een stad bepaalde (periodieke) geldsommen nalaat met als doel van de rente daarvan bijvoorbeeld een jaarlijks schouwspel op te voeren of om het jaar spelen te organiseren. Dig. 33, 1, 6: “Iemand liet aan een stad een jaarlijkse geldsom na voor de spelen, […].” en Dig. 33, 1, 21, 3: “Lucius Titius legateerde in zijn testament 100 000 sestertiën aan zijn geboortestad Sebaste met het doel dat uit de rente ervan om het jaar in zijn naam wedstrijden gehouden zouden worden.” Zie voorts Dig. 33, 1, 22 en Dig. 33, 2, 16 (Corpus Iuris Civilis – Digesten I).
Zie ook Pitlo/Raaijmakers 2017, par. 10.1.2, en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/27.
Een alternatieve vorm voor fiduciair vermogensbeheer is de rechtsfiguur van de “trust” die echter in het Nederlandse recht (vooralsnog) niet erkend is.
Zie onder meer de bevelen van Christenkeizers opgenomen in de Codex, zoals C. 1, 2, 25 (26), Corpus Iuris Civilis Codex Justinianus-II.
Dergelijke vormen van liefdadigheid werden als een kerkelijke aangelegenheid aangemerkt. Pitlo/Raaijmakers 2017, par. 10.1.2.
Pitlo/Raaijmakers 2017, par. 10.1.2.
Uit de Codex blijkt dat in een making ad pias causas de erflater of schenker soms rechtstreeks “de kerk” als begunstigde aanwijst. Aangezien de kerk een abstract begrip is, werd dit opgelost door te bepalen dat: “indien iemand onze Heer Christus als universeel erfgenaam of erfgenaam voor een deel heeft aangewezen”, aangenomen moet worden dat “als erfgenaam de heilige kerk van de stad, het dorp of de plaats waarin de overledene verbleven heeft, ingesteld is” (C. 1, 2, 25(26), Corpus Iuris Civilis Codex Justinianus-II). Soms werd vermogen nagelaten aan “de armen” of “de zieken”: “De verdeling van het vermogen over de zieken moet gebeuren door bemiddeling van de bestuurder van het vreemdelingenhuis, […], hetzij door middel van de besteding van de jaarlijkse inkomsten, hetzij door verkoop van roerende of zichzelf bewegende zaken, met het doel dat daarmee onroerende zaken aangekocht worden en een jaarlijks levensonderhoud de zieken ten goede komt.” (C. 1, 3, 48(49), Corpus Iuris Civilis Codex Justinianus-II). Het vermogen ad pias causas ging onderdeel uitmaken van het overige vermogen van de plaatselijke kerk of het plaatselijke vreemdelingenhuis, maar het bestuur van de kerk of het vreemdelingenhuis moest het vermogen voor het genoemde doel apart beheren. Zie Feenstra 1994, nrs. 58, 61 en 65.
Versteeg en Storm 1954, p. 11 e.v. De zelfstandige status werd mede vanwege de kerkelijke belangen geëerbiedigd.
Schrage 1996, p. 105, en Van Tricht 1884, p. 81 e.v. en p. 113-114, noemen voorbeelden van contracten die bijvoorbeeld door gasthuizen werden gesloten.
In eerste instantie had de kerk hierin een rol. Bestuurders van kerkelijke stichtingen die door de stichter of de bisschop waren benoemd, moesten zich na afloop, dat wil zeggen bij het neerleggen van hun beheer, zowel bij hun opvolgers als bij de bisschop verantwoorden. Zie Van Tricht 1884.
Zie de voorbeelden genoemd door Versteeg en Storm (Versteeg en Storm 1954, p. 20 e.v.). Van Tricht noemt als voorbeeld het oppertoezicht van de gemeente Leeuwarden over het Sint Anthony gasthuis bij resolutie van het jaar 1582 (Van Tricht 1884, p. 118). Zie ook de verwijzing naar het oppertoezicht van de gemeente Rotterdam over het leproos- of proveniershuis in Rotterdam in de uitspraak van het Hof Zuid-Holland 28 september 1842, W 1842, 329. De gemeente Rotterdam heeft blijkens deze uitspraak het recht van benoeming van de regenten van dit “gesticht” en “neemt de rekeningen op”.
Van Tricht noemt een stichtingsbrief waarin worden onderscheiden een praesidens, provisores en receptores (Van Tricht 1884, p. 117-118).
Dit was geregeld in artikel 7 van de Armenwet van 1854 (Wet van den 28 junij 1854, tot regeling van het Armbestuur, Stb. 1854, no. 100).
Artikel 10 van de Armenwet 1854 schreef voor dat jaarlijks opgave werd gedaan aan het gemeentebestuur van het aantal ondersteunden of verpleegden, uitgaven voor beheer en onderhoud en inkomsten door collecten, ontvangen bijdragen en subsidies.
Vaak was echter onduidelijk of sprake was van een legaat onder last, als gevolg waarvan een fonds op naam ontstond, of van een stichting. Wat het onder meer lastig maakte was dat het woord “stichting” of “gesticht” lang niet altijd duidelijk gebruikt werd. Soms werd de benaming “fonds” gebruikt – bijvoorbeeld in een testamentaire making – terwijl feitelijk sprake was van een stichting. Een stichting onderscheidt zich naar huidig recht eenvoudig van het fonds op naam door het hebben van rechtspersoonlijkheid. Voor de WS 1956 onderscheidde de stichting zich van het fonds op naam door het hebben van een eigen organisatie. Dit blijkt onder meer uit de uitspraak van de Rechtbank Utrecht van 22 februari 1899 W 7253, waarin een legaat onder last werd aangenomen aangezien “slechts” de pastoor werd aangewezen en daarmee een wel heel summiere aanduiding van de organisatie werd gegeven. Zie hierover ook Versteeg en Storm 1954, p. 21.
Doelvermogens zonder rechtspersoonlijkheid, die zijn terug te leiden tot het Romeinse recht, kunnen in zekere zin als voorlopers van de stichting worden gezien.1 Onder het begrip “doelvermogen” kan worden verstaan: een afgescheiden vermogen dat voor een bepaald doel is bestemd en daarom de schulden, die in verband met dat doel gemaakt worden, in de eerste plaats zelf moet dragen.2 Het Romeinse recht, dat terug te vinden is in het Corpus Iuris Civilis,3 kende verschillende constructies met doelvermogens.4 Constructies met “klassieke doelvermogens” hielden in dat een persoon (de fiduciant) zijn vermogen, tijdens leven of bij zijn overlijden, ten titel van beheer overdroeg aan een andere persoon (de fiduciarius), waarin hij een bijzonder vertrouwen (fides) stelde (zie ook paragraaf 4.3.2. hierna). Het fiduciair overgedragen vermogen werd in eerste instantie beheerd door een of meer natuurlijke personen, maar later werden doel-vermogens ook fiduciair overgedragen aan en beheerd door municipia (gemeenten of steden) of collegia (een soort verenigingen met een publiek karakter).5 Het voordeel van dergelijke municipia en collegia was dat zij geacht werden niet te kunnen failleren.6
Deze klassieke doelvermogens die aanvankelijk fiduciair beheerd werden door personen of door municipia en collegia kregen in de loop van de tijd steeds meer zelfstandigheid en vertoonden kenmerken van rechtspersoonlijkheid, al voordat men het fenomeen rechtspersoonlijkheid kende.
Tegenwoordig kiest iemand die zijn vermogen wil laten beheren door een fiduciair eigenaar vaak voor overdracht van vermogensbestanddelen ten titel van beheer aan een afzonderlijke, speciaal daarvoor opgerichte rechtspersoon, zoals een stichting. Een natuurlijk persoon kan immers overlijden, maar een rechtspersoon biedt meer duurzaamheid en continuïteit voor het beheer van het doelgebonden vermogen.7 Voor het geval de bestuurder van een stichting overlijdt of terugtreedt, kan worden voorzien in de aanwijzing of regeling van benoeming van een opvolgend bestuurder. Eén van de kenmerken van de zelfstandige doelvermogens was dat zij, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het fonds op naam, een eigen organisatie konden hebben (er kon een soort bestuur van het vermogen worden aangewezen) en als het ware “los stonden” van de fiduciair beheerder. Er heerste echter in eerste instantie nog veel onduidelijkheid op het punt van organisatie en vertegenwoordiging van de doelvermogens.
Bepaalde soorten doelvermogens, de piae causae, die voorkwamen bij de latere Christelijke keizers in de Romeinse tijd, werden al duidelijker georganiseerd.8 Piae causae of liefdadigheidsinstellingen hadden een algemeen charitatief (of eigenlijk een “vroom”) doel, zoals armenzorg of ziekenzorg.9 Het doel zou ook, in vergelijking met de hiervoor genoemde klassieke doelvermogens, meer abstract genoemd kunnen worden, omdat de begunstigden doorgaans generiek aangeduide (groepen van) personen waren, zoals de armen of de zieken.10 Het vermogen ad pias causas werd zelfstandig georganiseerd of werd door het bestuur van een plaatselijk “vreemdelingenhuis” of de plaatselijke kerk apart beheerd.11 Ook later, zowel voor als na de Reformatie, werden liefdadigheidsinstellingen, zoals weeshuizen en gasthuizen, tot stand gebracht die een zekere zelfstandige status kregen.12 Deze liefdadigheidsinstellingen hadden een eigen bestuur, konden zelfstandig contracten sluiten en eigendom verwerven.13 Het duurde nog enige tijd voordat werd onderkend dat zij rechtspersoonlijkheid hadden, maar de organisatie en de wijze van besturen van dergelijke instellingen werden steeds meer uitgewerkt.
Aanvankelijk was overheidstoestemming vereist voor de oprichting van liefdadigheidsinstellingen, zoals bijvoorbeeld gasthuizen, die steeds vaker “stichtingen” werden genoemd, maar na de Reformatie kwam deze overheidstoestemming te vervallen. De (stedelijke) overheid behield echter vaak wel invloed op de organisatie van dergelijke zelfstandige instellingen.14 Zo matigden sommige steden zich het “oppertoezicht” aan en stelden zij voorschriften aan het door de bestuurders te voeren beheer.15 Hoe dit er concreet uit zag blijkt uit “stichtingsbrieven” (een soort statuten) van bijvoorbeeld gasthuizen of proveniershuizen waarin de eerste bestuurders (regenten) werden benoemd en waarin de wijze van vertegenwoordiging en de “macht en rekenplichtigheid” van de vertegenwoordigers werd geregeld.16
Het stichtingenrecht was voor de inwerkingtreding van de WS 1956 nog gebaseerd op gewoonterecht, maar de kwalificatie als stichting kreeg steeds belangrijkere consequenties. Zo gaf artikel 1690 van het Burgerlijk Wetboek van 1838 (“Oud BW”) “instellingen van weldadigheid” die waren opgericht in de vorm van een stichting (kortgezegd: weldadige stichtingen) naast “zedelijke lichamen” de bevoegdheid tot het aangaan van “burgerlijke rechtshandelingen”.17 Dergelijke weldadige stichtingen hadden armenverzorging ten doel en konden door de overheid of door private personen worden opgericht. Weldadige stichtingen die door private personen werden opgericht moesten mededeling doen aan de gemeente waar zij gevestigd waren over de “bepalingen omtrent de inrichting en het bestuur”. Een extra eis was dat het bestuur jaarlijks een financiële verantwoording moest afleggen aan de gemeente.18
Ook voor “stichtingen” die een meer privaat belang behartigden, zoals het in stand houden van een bepaald landgoed voor de familie, en die doorgaans bij overlijden werden opgericht, werd het hebben van een eigen organisatie een steeds belangrijker kenmerk. Datzelfde gold voor stichtingen met een “niet- persoonlijk doel”, zoals het beheren en in stand houden van een kunstcollectie in een museum.19