Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/5.11.1:5.11.1 De eisen gesteld aan aansprakelijkheid op grond van art. 2:216 BW
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/5.11.1
5.11.1 De eisen gesteld aan aansprakelijkheid op grond van art. 2:216 BW
Documentgegevens:
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS298907:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Wet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht en Invoeringswet vereenvoudiging en flexibilisering bv-recht, Stb. 2012, 299, 300 en 301.
Zie over de mogelijkheden van disculpatie: Canisius en Canisius 2015, p. 171-172.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op 1 oktober 2012 is de huidige versie van art. 2:216 BW in werking getreden.1Art. 2:216 lid 1 BW bepaalt dat de algemene vergadering van een besloten vennootschap bevoegd is tot bestemming van de winst die door de vaststelling van de jaarrekening is bepaald en tot vaststelling van uitkeringen, voor zover het eigen vermogen groter is dan de wettelijke of statutaire reserves (de zogenoemde “balanstest”). Blijkens art. 2:216 lid 2 1e volzin BW geldt daarnaast dat een besluit dat strekt tot uitkering geen gevolgen heeft zolang het bestuur geen goedkeuring heeft verleend. Art. 2:216 lid 2 2e volzin BW bepaalt dat het bestuur de goedkeuring weigert indien het weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden (de zogenoemde “uitkeringstest”).
Indien de vennootschap na een uitkering niet kan voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden, zijn de bestuurders die dat ten tijde van de uitkering wisten of redelijkerwijs behoorden te voorzien jegens de vennootschap hoofdelijk verbonden voor het tekort dat door de uitkering is ontstaan, met de wettelijke rente vanaf de dag van de uitkering (art. 2:216 lid 3 1e volzin BW). Niet verbonden is de bestuurder die bewijst dat het niet aan hem te wijten is dat de vennootschap de uitkering heeft gedaan en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden (art. 2:216 lid 3 3e volzin BW).2Art. 2:216 lid 4 BW stelt voor de toepassing van lid 3 van dat artikel de (mede-)beleidsbepaler gelijk met een bestuurder.
In het kader van dit onderzoek ga ik niet verder in op (problemen die zich voordoen in het kader van) art. 2:216 BW. Voor een uitgebreide behandeling van dat artikel verwijs ik naar de interessante literatuur die daarover inmiddels is verschenen.3