Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/9.8.3
9.8.3 Toekenning van het enquêterecht aan de ondernemingsraad?
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS374600:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De werknemersleden benoemd door de FNV en de vakcentrale MHP en de kroonleden mevrouw Asscher-Vonk, De Beaufort Wijnholds, mevrouw Epema-Brugman, Kolnaar, Meulenberg, Van Muiswinkel, Nieuwenburg en Quen. Zie SER-advies 1988/14, p. 69 e.v.
SER-advies 2003/12, p. 67 e.v. en 75 e.v.
SER-advies 2005/04. Zie onder meer hierover: Van Solinge (2005), p. 221-222.
OK 1 maart 2005, JOR 2005/87 (Stichting Kinderopvang Nederland).
OK 5 oktober 2005, JOR 2005/296 (Smit Transformatoren).
OK 5 oktober 2005, JOR 2005/296 (Smit Transformatoren), r.o. 3.4.
OK 5 augustus 2008, ARO 2008/134 (Sijthoff Planetarium en Haags Ruimtetheater, handelend onder de naam Omniversum); OK 13 november 2009, ARO 2009/178 (Stichting Kinderopvang Barendracht).
OK 10 december 2008, JOR 2009/38 en JAR 2009, 14 (AHAM), in cassatie is de PVT ook enquêtebevoegd, zie HR 16 april 2010, JOR 2010/223 m.nt. Winters en Stegerhoek. En OK 15 april 2010, ARO 2010/64 (Seerden Industriële Verpakkingen).
Zie over deze adviesaanvraag Kreupeling (2007), p. 16-18.
SER-advies 2008/01, p. 58 en bijlage 5 bij dit advies.
Cools/Kroeze (2009).
Zie hoofdstuk 7 en 8.
Kamerstukken II 2010-2011, 32 887, nr. 3 (MvT), p. 11-12.
In de afgelopen decennia is de SER steeds genuanceerder gaan denken over het toekennen van de enquêtebevoegdheid aan de ondernemingsraad. In zijn advies uit 1988 is het overgrote deel van de SER tegen toekenning van de bevoegdheid.1 In het SER-advies uit 2003 over de aanpassing van de WOR zijn de werknemersleden (de vakbonden) van mening dat de tijd rijp is om het enquêterecht ook aan de ondernemingsraad toe te kennen. Daarentegen blijven de werkgevers- en kroonleden voor het overgrote deel bij het SER-advies uit 1988.2 Een terugkerend argument tegen toekenning van de enquêtebevoegdheid is het gevaar voor een lichtvaardig gebruik van het enquêterecht, het incriminerende en stigmatiserende effect van de procedure en de onmogelijkheid om bij afwijzing van het verzoek de schade te verhalen; de ondernemingsraad heeft geen rechtspersoonlijkheid, geen eigen vermogen en biedt dus geen verhaal bij aansprakelijkheid. In zijn advies ‘Ondernemerschap voor de publieke zaak’ uit 2005 lijkt de SER zijn mening te herzien. In dit advies dringt hij zelfs aan op een wettelijke enquêtebevoegdheid voor de ondernemingsraad. Weliswaar is dit advies beperkt tot rechtspersonen in de publieke sector.3
Uit de rechtspraak blijkt dat ook de OK van oordeel is dat de ondernemingsraad een enquêteverzoek kan indienen wanneer die bevoegdheid hem bij overeenkomst met rechtspersoon is toegekend. De eerste keer dat de OK de ondernemingsraad op deze wijze toelaat als verzoekende partij in het enquêterecht is in 2005 in de SKON-beschikking.4 Kort daarna volgt de Smit Transformatoren-beschikking waarin de OK korte metten maakt met alle verweren tegen de ontvankelijkheid van de ondernemingsraad.5 De OK overweegt onder meer dat aan het toekennen van de enquêtebevoegdheid aan de ondernemingsraad niet in de weg staat dat de instelling van een ondernemingsraad in de eerste plaats gericht is op overleg met de ondernemingsleiding. Volgens de OK pleit de omstandigheid dat de ondernemingsraad ook het belang van de onderneming als zodanig in aanmerking dient te nemen juist voor toekenning van de enquêtebevoegdheid.6 Na Smit Transformatoren entameert de ondernemingsraad nog twee keer een enquêteprocedure op basis van zijn contractuele enquêtebevoegdheid in de Omniversum-beschikking en Stichting kinderopvang Barendrecht-beschikking.7 In deze beschikkingen wordt geen verweer gevoerd tegen de ontvankelijkheid van de ondernemingsraden.
De OK oordeelt in geen van deze vier beschikkingen dat de ondernemingsraad lichtvaardig gebruik maakt van zijn enquêtebevoegdheid. Integendeel, de interventie van de ondernemingsraad was steeds in het belang van de vennootschap. In alle beschikkingen zijn de verhoudingen binnen de rechtspersoon zodanig verstoord dat bij het voortduren van de gerezen geschillen de continuïteit van de rechtspersoon in gevaar zou komen. De beschikkingen hebben daarnaast gemeen dat het bestuur of een bestuurder bij overeenkomst of convenant de enquêtebevoegdheid toekent aan de ondernemingsraad steeds nÆdat de verhoudingen ernstig verstoord zijn geraakt. In SKON en Smit Transformatoren is het zelfs de ondernemingsraad die het bestuur verzoekt om hem de enquêtebevoegdheid toe te kennen.
Naast de ondernemingsraad heeft ook de personeelsvertegenwoordiging (PVT) tweemaal een enquêteprocedure geëntameerd basis van contractuele enquêtebevoegdheid, in de AHAM-beschikking en SIV-beschikking.8 In beide zaken is naar aanleiding van een geschil tussen bestuurders en aandeelhouders een personeelsvertegenwoordiging (PVT) opgericht, waaraan vervolgens via een ondernemingsovereenkomst het enquêterecht is toegekend. De PVT is in beide procedures ontvankelijk. In AHAM slaagt de PVT erin om het ontslag van de bestuurders tegen te houden. In SIV wijst de OK het enquêteverzoek en het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen bij het dreigend ontslag van een bestuurslid af. Daarbij is van belang dat de bestuurder de PVT had ingesteld op het moment dat er reeds sprake was van een conflict met de aandeelhouders, en bij de instelling van de PVT slechts een beperkt aantal werknemers betrokken was.
Al deze ontwikkelingen zijn de wetgever niet onopgemerkt gebleven. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vraagt op 19 juni 2007 advies aan de SER over de vraag of de positie van werknemers in ondernemingen versterking behoeft.9 Als reactie op deze adviesaanvraag publiceert de SER in 2008 het advies ‘Evenwichtig ondernemingsbestuur’, waarin hij zich uitspreekt over de positie van werknemers bij Nederlandse beursgenoteerde vennootschappen. In dit advies gaat de SER onder meer in op de vraag van de minister of het enquêterecht aan de ondernemingsraad moet toekomen. Hoewel het enquêterecht uitgebreid aan de orde komt, is de conclusie wat betreft de ondernemingsraad kort en bondig. De SER stelt dat deze vraag reeds aan de orde is geweest in het SER-advies 2003 over de aanpassing van de Wet op de ondernemingsraden en dat de raad hierover destijds verdeeld was. Voor de ingenomen standpunten van destijds verwijst de SER naar dit advies.10
Het SER-advies uit 2008 draagt samen met een serie expertmeetings en het empirisch-kwantitatief onderzoek van Cools en Kroeze11 bij aan de herziening van het enquêterecht in 2013. Met de wetswijziging in 2013 is de toegang tot het enquêterecht op een aantal punten aangepast. De rechtspersoon – daarbij vertegenwoordigd door zijn bestuur, de raad van commissarissen of de niet uitvoerende bestuurders in een one tier board – en de curator beschikken sindsdien over de enquêtebevoegdheid.12 Dit geldt niet voor de ondernemingsraad. Net als bij de herziening van het enquêterecht in 1971 en de aanvulling daarvan in 1994, krijgt de ondernemingsraad geen eigen enquêtebevoegdheid. De belangrijkste reden hiervoor is wederom dat de ondernemingsraad geen rechtspersoonlijkheid heeft, waardoor er geen verhaal mogelijk is indien achteraf komt vast te staan dat het enquêteverzoek niet op redelijke grond is gedaan (art. 2:350 lid 2 BW).13 De minister is van mening dat deze regeling een belangrijke waarborg is tegen te lichtvaardige enquêteverzoeken van de ondernemingsraad. Hij acht het ontbreken van een dergelijke waarborg dan ook doorslaggevend om de ondernemingsraad geen enquêtebevoegdheid te geven.
Anders dan de minister meen ik dat deze redenering onvoldoende is om een categorische afwijzing van de enquêtebevoegdheid aan de ondernemingsraad te dragen. Die keuze kan niet slechts gemotiveerd worden met een beroep op praktische gronden. Het antwoord op de vraag of de ondernemingsraad enquêtebevoegdheid dient te krijgen moet steunen op een fundamentele discussie resulterend in een afgewogen en gemotiveerde, actuele stellingname. Ik bespreek daarom hierna allereerst alle argumenten voor en tegen toekenning van de enquêtebevoegdheid aan de ondernemingsraad.